Chinese filmmakers over China
“Wie wat wil bereiken, moet hard werken”
Evert Nieuwenhuis
IDFA Dagkrant, 27 november 2005
China maakt zijn grote sprong voorwaarts. Over de manier waarop wordt veel gediscussieerd in het Westen. Hoe kijken Chinese documentairemakers aan tegen de stormachtige economische ontwikkelingen in hun land? En hoe verhoudt zich dat tot de westerse visie? Drie Chinese filmmakers en één Israëlische regisseur delen hun kijk op China.
Jian Zhong, Micha Peled, Yu Chang, Wang Dongdong, Wang Zekai
Foto: Felix Kalkman

Wie in China acrobaat wil worden, moet hard werken. Wang Dongdong en zijn vrouw Chang Yu volgden een half jaar een klas op een acrobatenopleiding in Beijing. De kinderen trainen zich een ongeluk – letterlijk: hun ledematen zijn bezaaid met blauwe plekken en schrammen. Vallen en opstaan, keer op keer. Dag in dag uit doen de kinderen hun flipflops, springen ze door bewegende hoepels en buigen ze hun ruggengraten net wat verder dan de dag ervoor. Wie valt, krijgt stokslagen. “Niet huilen!”, schreeuwen de docenten, “als je gaat huilen, krijg je er nog tien slagen bij!” Prompt biggelen de tranen over de kinderwangetjes. Gedwee draaien ze zich om voor de extra stokslagen.
Regisseur Wang Dongdong: “In het begin dacht ik: wat vreselijk voor die kinderen. Maar later zag ik in dat de docenten het beste met de kinderen voorhebben. Wie wat wil bereiken in het leven, moet hard werken.”
“In China wonen nu 1,3 miljard mensen”, zegt zijn vrouw en mederegisseur Chang Yu, “en honderden miljoenen arme mensen strijden elke dag om in leven te blijven. In vergelijking met die arme mensen hebben die kinderen het niet eens zo zwaar. Ze hebben een kans om beroemd te worden en geld te verdienen als groot acrobaat.”
Wang knikt instemmend. “In je leven moet je tegenslagen overwinnen. De kinderen op de acrobatenschool leren dat. Dat heet opgroeien, vandaar de naam van onze film: Growing Up. De pijn van opgroeien en de strijd voor welvaart en voorspoed is een universeel thema. De acrobatenschool was ideaal om dat te verbeelden.”
Chang: “Misschien keuren jullie de scheldpartijen en de stokslagen af, maar voor ons zijn dergelijke straffen niet heel vreemd. Toen ik klein werd, kreeg ik ook slaag. Ik sla en straf mijn kind ook. Maar niet zo hard als op de acrobatenschool.” Ze geeft de kleine Wang Zekai (hun zoontje, dat bijna onophoudelijk door de kamer rent en door het interview heen tettert) nog een snoepje.
De westerse kijker ziet in de acrobatenschool al snel een metafoor voor de lange mars die China aflegt richting welvaart en voorspoed. Ook China werkt zich een ongeluk. Neem Jasmine, een boerenmeisje dat in een textielfabriek aan de kust de spijkerbroeken maakt die wij dragen. Jasmine knipt de stiksels af die de naaimachines achterlaten. Saai en zwaar werk, dat ze uren achter elkaar volhoudt. Als er grote orders zijn, werkt ze soms twintig uur per dag. Jasmine verdient er net genoeg mee om af en toe wat kleingeld naar haar ouders te sturen.
De Israëlische regisseur Micha Peled filmde drie jaar in de fabriek van Jasmine om haar dagelijks leven vast te leggen. Zijn film, China Blue, heeft Peled “woedend” gemaakt. Peled: “Ik ben woedend op de multinationals die Jasmine en haar collega’s uitbuiten. Ze maken gebruik van het feit dat het op het platteland nog beroerder is dan in de fabriek. Jasmine moet veel te hard werken voor veel te weinig geld. En dat allemaal zodat westerse bedrijven zo goedkoop mogelijk spijkerbroeken kunnen verkopen met zo veel mogelijk winst. Ik heb medelijden met Jasmine.”
Jian Zhong fronst zijn wenkbrauwen bij die laatste opmerking. De tweeëntwintigjarige Jian maakte Try to Remember, een film over de reis die hij met zijn moeder maakte naar het geboortedorp van zijn moeder op het platteland. Jians moeder vertelt over de verschrikkingen van de Culturele Revolutie. Hoe iedereen die iets meer had dan een ander “een vijand van het volk was” en bespuugd en geslagen werd. En dan die honger, altijd maar die honger. Jians moeder moet huilen als ze erover vertelt.
Jian: “Mijn moeder lijkt op die Jasmine in die textielfabriek. Ook zij verliet haar dorp, en ging in de stad werken. Ze kwam in de bouw terecht en maakte dagen van achttien tot twintig uur. Maar ze hield vol, en kreeg steeds betere banen. Nu is ze vijftig jaar oud en met pensioen. En kijk eens hoeveel beter ze af is dan al die mensen die in het dorp achterbleven – zij leven nog steeds in armoede. Is mijn moeder zielig? Nee, ze heeft gewoon hard gewerkt.”
Chang, de vrouwelijke regisseur van Growing Up: “Je moet juist veel respect hebben dat meisjes als Jasmine hard werken voor een beter leven. Ze willen graag in die fabriek werken, omdat het voor hen een uitweg uit de armoede is. Wie medelijden met de fabrieksmeisjes heeft, begrijpt de situatie in China niet goed.”
Peled: “Dat ben ik met je eens: Jasmine verdient bewondering. Maar ze wordt ook uitgebuit, en niet alleen door westerse bedrijven. Haar bazen breken zo ongeveer elke Chinese wet die er bestaat: ze krijgt geen minimumloon, overuren worden niet uitbetaald en een wekelijkse rustdag is een luxe. De Chinese regering, het provinciale bestuur en stedelijke ambtenaren knijpen allemaal een oogje toe. Waarom? Omdat ze corrupt zijn en een graantje meepikken. Iedereen wordt beter van de handel, behalve Jasmine en haar collega’s.”
Jian, de jonge Chinese regisseur: “Natuurlijk vind ik het niet leuk voor Jasmine dat ze het zwaar heeft, maar het is de enige manier om vooruit te komen in China. Ze moet blij zijn dat ze die kans krijgt.”
Wang, die de film over de acrobatenschool maakte: “De fabrieken kunnen die wetten overtreden omdat er miljoenen meisjes staan te trappelen om in die fabrieken te werken. De corruptie in China is gigantisch, en meisjes als Jasmine zijn daar het slachtoffer van. We moeten corruptie bestrijden. Maar denk niet dat je dat vanuit het Westen kunt beïnvloeden. We moeten het zelf doen.”
Peled: “Toch kunnen westerse consumenten Jasmine en haar collega’s helpen. De arbeiders worden uitgebuit zodat onze spijkerbroeken zo goedkoop mogelijk zijn. De meeste mensen die uit de film komen, zeggen: ‘Ik doe niet meer mee; ik betaal liever wat meer. Zorg er alsjeblieft voor dat mijn geld terecht komt bij meisjes als Jasmine.’”
Wang: “Dat klinkt mooi, maar wat je ook doet: het geld komt niet bij Jasmine terecht, maar bij corrupte bazen en politici.”
Peled: “Als er genoeg mensen zijn die zeggen: wij zijn bereid om meer te betalen voor onze spijkerbroeken, komen er vanzelf bedrijven die dat garanderen. Er ontstaat een niche. Noodzakelijke voorwaarde is dat de grote merknamen de fabrieken in eigendom hebben, en het werk niet uitbesteden aan bazen als die van Jasmine. Op die manier kunnen de bedrijven veel beter controleren of de arbeidsomstandigheden deugen.”
Jian: “Zijn jullie echt bereid om meer voor jullie spijkerbroeken te betalen? Waarom doen jullie dat dan nog niet?”

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl
 
Chinese filmmakers over China
“Wie wat wil bereiken, moet hard werken”
Evert Nieuwenhuis
IDFA Dagkrant, 27 november 2005
China maakt zijn grote sprong voorwaarts. Over de manier waarop wordt veel gediscussieerd in het Westen. Hoe kijken Chinese documentairemakers aan tegen de stormachtige economische ontwikkelingen in hun land? En hoe verhoudt zich dat tot de westerse visie? Drie Chinese filmmakers en één Israëlische regisseur delen hun kijk op China.
Jian Zhong, Micha Peled, Yu Chang, Wang Dongdong, Wang Zekai
Foto: Felix Kalkman

Wie in China acrobaat wil worden, moet hard werken. Wang Dongdong en zijn vrouw Chang Yu volgden een half jaar een klas op een acrobatenopleiding in Beijing. De kinderen trainen zich een ongeluk – letterlijk: hun ledematen zijn bezaaid met blauwe plekken en schrammen. Vallen en opstaan, keer op keer. Dag in dag uit doen de kinderen hun flipflops, springen ze door bewegende hoepels en buigen ze hun ruggengraten net wat verder dan de dag ervoor. Wie valt, krijgt stokslagen. “Niet huilen!”, schreeuwen de docenten, “als je gaat huilen, krijg je er nog tien slagen bij!” Prompt biggelen de tranen over de kinderwangetjes. Gedwee draaien ze zich om voor de extra stokslagen.
Regisseur Wang Dongdong: “In het begin dacht ik: wat vreselijk voor die kinderen. Maar later zag ik in dat de docenten het beste met de kinderen voorhebben. Wie wat wil bereiken in het leven, moet hard werken.”
“In China wonen nu 1,3 miljard mensen”, zegt zijn vrouw en mederegisseur Chang Yu, “en honderden miljoenen arme mensen strijden elke dag om in leven te blijven. In vergelijking met die arme mensen hebben die kinderen het niet eens zo zwaar. Ze hebben een kans om beroemd te worden en geld te verdienen als groot acrobaat.”
Wang knikt instemmend. “In je leven moet je tegenslagen overwinnen. De kinderen op de acrobatenschool leren dat. Dat heet opgroeien, vandaar de naam van onze film: Growing Up. De pijn van opgroeien en de strijd voor welvaart en voorspoed is een universeel thema. De acrobatenschool was ideaal om dat te verbeelden.”
Chang: “Misschien keuren jullie de scheldpartijen en de stokslagen af, maar voor ons zijn dergelijke straffen niet heel vreemd. Toen ik klein werd, kreeg ik ook slaag. Ik sla en straf mijn kind ook. Maar niet zo hard als op de acrobatenschool.” Ze geeft de kleine Wang Zekai (hun zoontje, dat bijna onophoudelijk door de kamer rent en door het interview heen tettert) nog een snoepje.
De westerse kijker ziet in de acrobatenschool al snel een metafoor voor de lange mars die China aflegt richting welvaart en voorspoed. Ook China werkt zich een ongeluk. Neem Jasmine, een boerenmeisje dat in een textielfabriek aan de kust de spijkerbroeken maakt die wij dragen. Jasmine knipt de stiksels af die de naaimachines achterlaten. Saai en zwaar werk, dat ze uren achter elkaar volhoudt. Als er grote orders zijn, werkt ze soms twintig uur per dag. Jasmine verdient er net genoeg mee om af en toe wat kleingeld naar haar ouders te sturen.
De Israëlische regisseur Micha Peled filmde drie jaar in de fabriek van Jasmine om haar dagelijks leven vast te leggen. Zijn film, China Blue, heeft Peled “woedend” gemaakt. Peled: “Ik ben woedend op de multinationals die Jasmine en haar collega’s uitbuiten. Ze maken gebruik van het feit dat het op het platteland nog beroerder is dan in de fabriek. Jasmine moet veel te hard werken voor veel te weinig geld. En dat allemaal zodat westerse bedrijven zo goedkoop mogelijk spijkerbroeken kunnen verkopen met zo veel mogelijk winst. Ik heb medelijden met Jasmine.”
Jian Zhong fronst zijn wenkbrauwen bij die laatste opmerking. De tweeëntwintigjarige Jian maakte Try to Remember, een film over de reis die hij met zijn moeder maakte naar het geboortedorp van zijn moeder op het platteland. Jians moeder vertelt over de verschrikkingen van de Culturele Revolutie. Hoe iedereen die iets meer had dan een ander “een vijand van het volk was” en bespuugd en geslagen werd. En dan die honger, altijd maar die honger. Jians moeder moet huilen als ze erover vertelt.
Jian: “Mijn moeder lijkt op die Jasmine in die textielfabriek. Ook zij verliet haar dorp, en ging in de stad werken. Ze kwam in de bouw terecht en maakte dagen van achttien tot twintig uur. Maar ze hield vol, en kreeg steeds betere banen. Nu is ze vijftig jaar oud en met pensioen. En kijk eens hoeveel beter ze af is dan al die mensen die in het dorp achterbleven – zij leven nog steeds in armoede. Is mijn moeder zielig? Nee, ze heeft gewoon hard gewerkt.”
Chang, de vrouwelijke regisseur van Growing Up: “Je moet juist veel respect hebben dat meisjes als Jasmine hard werken voor een beter leven. Ze willen graag in die fabriek werken, omdat het voor hen een uitweg uit de armoede is. Wie medelijden met de fabrieksmeisjes heeft, begrijpt de situatie in China niet goed.”
Peled: “Dat ben ik met je eens: Jasmine verdient bewondering. Maar ze wordt ook uitgebuit, en niet alleen door westerse bedrijven. Haar bazen breken zo ongeveer elke Chinese wet die er bestaat: ze krijgt geen minimumloon, overuren worden niet uitbetaald en een wekelijkse rustdag is een luxe. De Chinese regering, het provinciale bestuur en stedelijke ambtenaren knijpen allemaal een oogje toe. Waarom? Omdat ze corrupt zijn en een graantje meepikken. Iedereen wordt beter van de handel, behalve Jasmine en haar collega’s.”
Jian, de jonge Chinese regisseur: “Natuurlijk vind ik het niet leuk voor Jasmine dat ze het zwaar heeft, maar het is de enige manier om vooruit te komen in China. Ze moet blij zijn dat ze die kans krijgt.”
Wang, die de film over de acrobatenschool maakte: “De fabrieken kunnen die wetten overtreden omdat er miljoenen meisjes staan te trappelen om in die fabrieken te werken. De corruptie in China is gigantisch, en meisjes als Jasmine zijn daar het slachtoffer van. We moeten corruptie bestrijden. Maar denk niet dat je dat vanuit het Westen kunt beïnvloeden. We moeten het zelf doen.”
Peled: “Toch kunnen westerse consumenten Jasmine en haar collega’s helpen. De arbeiders worden uitgebuit zodat onze spijkerbroeken zo goedkoop mogelijk zijn. De meeste mensen die uit de film komen, zeggen: ‘Ik doe niet meer mee; ik betaal liever wat meer. Zorg er alsjeblieft voor dat mijn geld terecht komt bij meisjes als Jasmine.’”
Wang: “Dat klinkt mooi, maar wat je ook doet: het geld komt niet bij Jasmine terecht, maar bij corrupte bazen en politici.”
Peled: “Als er genoeg mensen zijn die zeggen: wij zijn bereid om meer te betalen voor onze spijkerbroeken, komen er vanzelf bedrijven die dat garanderen. Er ontstaat een niche. Noodzakelijke voorwaarde is dat de grote merknamen de fabrieken in eigendom hebben, en het werk niet uitbesteden aan bazen als die van Jasmine. Op die manier kunnen de bedrijven veel beter controleren of de arbeidsomstandigheden deugen.”
Jian: “Zijn jullie echt bereid om meer voor jullie spijkerbroeken te betalen? Waarom doen jullie dat dan nog niet?”

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl