Studium Generale (CREA), Universiteit van Amsterdam, 29 november 2005
Leidt vrijhandel tot minder armoede? Dat is de vraag waar wij vanavond over discussiëren.
De afgelopen vijftig jaar heeft de wereld een tendens gezien naar steeds vrijere handel. Importtarieven daalden en subsidies aan bedrijfstakken, zoals landbouw, werden verminderd of afgeschaft. Wereldwijd kregen overheden steeds minder invloed op internationale handel, ten gunste van meer marktwerking op internationaal niveau. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) speelt hierin een belangrijke rol. In grote onderhandelingsrondes spreken ministers van de lidstaten af hun onderlinge handel vrijer te maken. Volgende week (13 – 18 december 2005) komen ministers uit zo’n 150 landen in Hongkong bijeen, om nieuwe afspraken te maken over het bevrijden van de wereldhandel.
Is de wereld daar beter van geworden? Worden arme landen rijker van meer, vrije handel?
Met alle boeken, rapporten en propagandafoldertjes die deze vraag behandelen, kun je een aardige bibliotheek vullen. Dat betekent dat de economen er nog niet helemaal uit zijn. In die boeken en rapporten staan oneindig veel tabellen en grafieken. Cijfers over import en export, dalende invoertarieven, groeiende en krimpende economieën, en zo voorts en zo verder.
Ik wil het in deze introductie niet over deze cijfers hebben. Ik denk dat ze vanavond, met deze twee economen aan mijn zijde – Hans Labohm en Robert Went – nog ruimschoots aan bod zullen komen.
Ik wil het over een meisje hebben: Jasmine, een zestienjarige fabrieksarbeidster aan de zuidkust van China. Ik wil het hebben over de vraag of de straatarme Jasmine beter wordt van vrijhandel. Dit is Jasmine.
Foto afkomstig uit de documentaire China Blue van Micha X. Peled
Deze foto komt uit de documentairefilm China Blue van de Israëlische filmmaker Micha Peled. Op het International Documantary Filmfestival Amsterdam (IDFA), is deze film momenteel te zien. Jasmine is het meisje in de lichtblauwe jas. Op deze foto hebben Jasmine en een ander fabrieksmeisje knijpers op hun oogleden. De meisjes moeten regelmatig nachtenlang doorwerken, en soms zijn ze zo moe, dat ze hun ogen niet meer kunnen openhouden. Dan halen ze hun knijpers te voorschijn, en gaan ze weer verder met werken.
Jamine werkt in een doodgewone textielfabriek in China, waar momenteel ongeveer de helft van alle nieuwe kleding in de wereld wordt gemaakt. Jasmine maakt de spijkerbroeken die wij dragen. Ze knipt de stiksels af die de naaimachines achterlaten. Saai en zwaar werk, dat ze uren achter elkaar volhoudt. Als er grote orders zijn, werkt ze soms wel achttien uur per dag. Overwerk wordt niet extra betaald, en ze moet maar afwachten wanneer haar Chinese bazen haar loon uitbetalen. Al met al verdient Jasmine net genoeg om af en toe wat kleingeld naar haar ouders te sturen.
Waarom doet Jasmine dit werk? Zoals miljoenen andere Chinese boerenmeisjes, trok Jasmine naar een Zuid-Chinese stad om te werken in een van de fabrieken die China’s exportproducten maken. Jasmine werkt hard, in de hoop op minder armoede en meer welvaart.
Wordt Jasmine uitgebuit? Veel mensen vinden van wel, waaronder de regisseur van de film China Blue, Micha Peled. Momenteel werk ik voor IDFA. Ik schrijf onder andere artikelen in de IDFA Dagkrant, die dagelijks op het festival wordt verspreid. Voor deze Dagkrant interviewde ik Micha Peled. Hij zei: ‘Ik ben woedend op de multinationals die Jasmine en haar collega’s uitbuiten. Ze maken gebruik van het feit dat het op het platteland nog beroerder is dan in de fabriek. Jasmine moet veel te hard werken voor veel te weinig geld. En dat allemaal zodat westerse bedrijven zo goedkoop mogelijk spijkerbroeken kunnen verkopen, met zo veel mogelijk winst. Ik heb medelijden met Jasmine.’
Ik interviewde Peled niet alleen, er zaten ook drie Chinese filmmakers aan tafel. Een van hen, de 22-jarige Jian Zhong, fronste zijn wenkbrauwen nadat de tolk de zinnen van Peled had vertaald. Jian Zhong maakte een film (Try to Remember over de reis die hij met zijn moeder maakte naar het geboortedorp van zijn moeder op het platteland. Jian Zhongs moeder vertelt over de verschrikkingen van de Culturele Revolutie. Hoe iedereen die iets meer had dan een ander ‘een vijand van het volk was’ en bespuugd en geslagen werd. En dan die honger, altijd maar die honger. Jian Zhongs moeder moet huilen als ze erover vertelt.
In het interview zei Jian Zhong tegen de Israëlische regisseur Peled: ‘Mijn moeder lijkt op die Jasmine in die textielfabriek. Ook zij verliet haar dorp, en ging in de stad werken. Mijn moeder kwam in de bouw terecht en maakte dagen van achttien tot twintig uur. Maar ze hield vol, en kreeg steeds betere banen. Nu is ze vijftig jaar oud en met pensioen. En kijk eens hoeveel beter ze af is dan al die mensen die in het dorp achterbleven – zij leven nog steeds in armoede. Is mijn moeder zielig? Nee, ze heeft gewoon hard gewerkt.’
Aan tafel zat ook Ya Chang, een Chinese regisseur die een film maakte over een acrobatenschool in China. Chang zei tegen Peled: ‘Je moet juist veel bewondering hebben voor meisjes als Jasmine; ze werken hard voor een beter leven. Ze willen graag in die fabriek werken, omdat het voor hen een uitweg uit de armoede is. Wie medelijden met de fabrieksmeisjes heeft, begrijpt de situatie in China niet.’
Jian Zhong, de jonge Chinese regisseur, knikte instemmend: ‘Natuurlijk vind ik het niet leuk voor Jasmine dat ze het zwaar heeft. Maar het is de enige manier om vooruit te komen in China. Ze moet juist blij zijn dat ze in de fabriek mag werken.’
Daar zaten we dan. De Israëliër vindt dat Jasmine wordt uitgebuit, de Chinezen vinden dat vrije handel haar juist een kans geeft om de armoede te ontstijgen. Zonder internationale handel had Jasmine niet in deze fabriek kunnen werken. Nederland zou dan bijvoorbeeld zijn eigen spijkerbroeken maken – vermoedelijk in Twente – en Jasmine zou zonder werk zitten.
Wie heeft gelijk?
Ik ben het eens met de Chinese filmmakers. Zonder vrije, internationale handel zou Jasmine verdoemd zijn tot armoede. En met haar vele honderden miljoenen andere Chinezen. Voor hen betekent vrije handel, meer welvaart.
De geschiedenis leert dat deze Chinese filmmakers gelijk hebben. Onlangs las ik een fascinerend boek van de Amerikaanse econome Petra Rivoli: The Travels of a T-shirt in the Global Economy. Een aanrader.
In dit boek reist Rivoli haar T-shirt achterna. Op een boulevard in Florida koopt ze een T-shirt met een vrolijke opdruk van een strand met palmbomen. Made in China. Rivoli reist naar de Texaanse katoenvelden waar de katoen werd geplukt, ze bezoekt de Chinese fabrieken waar het garen wordt gesponnen, ze praat met de zusjes van Jasmine die het T-shirt in elkaar naaien en ze reist terug naar de Amerikaanse importeur. Ze reist zelfs naar Tanzania, waar haar T-shirt op de tweede hands-markt wordt verkocht.
Haar boek is een road movie door de moderne wereldeconomie.
Rivoli plaatst haar bevindingen in een breed, historisch perspectief. Dat biedt verrassende inzichten. Zo toont Rivoli aan dat sinds de Industriële Revolutie (die plaats vond in de negentiende eeuw) de handen die onze kledingstukken in elkaar zetten, vrijwel altijd van boerenmeisjes zijn. Dit geldt voor de eerste volgepakte naaifabrieken van Manchester in de negentiende eeuw, maar ook voor de latere centra van textielproductie: de Verenigde Staten, Japan, Korea, Taiwan, China.
Ondanks hun verschrikkingen boden de sweatshops betere omstandigheden dan het harde leven op het kansloze platteland, vonden de boerenmeisjes. Rivoli citeert uit talrijke vergeelde dagboeken en getuigenverslagen van Britse en Amerikaanse naaisters uit de negentiende en twintigste eeuw, maar ook van de Chinese naaisters die zich op dit moment buigen over de komende voorjaarsmode. In die sweatshops ontstijgen ze de armoede. Maar er gebeurt meer: in de sweatshops verkrijgen de vrouwen spaargeld, autonomie en zeggenschap over wanneer er met wie wordt getrouwd. Met andere woorden, zegt Petra Rivoli, de emancipatie van de vrouw begint in de fabriek. Vroeger in Manchester en Massachusetts, en nu in China.
Bovendien zijn alle landen die vroeger sweatshops hadden nu economisch sterk ontwikkeld. Denk aan Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Japan en over enkele decennia, China. Om het heel concreet te maken: in de grote fabriekshallen van Manchester, waar vroeger de arme boerenmeisjes zich een ongeluk werkten, feesten nu jongens en meisjes van dezelfde leeftijd tot diep in de nacht op houseparty’s. In de voormalige sweatshops van New York werken nu hippe designers en IT-bedrijfjes tegen torenhoge lonen.
Jasmine en haar collega’s hebben het overigens ook veel beter dan hun ‘sisters in time’ die in de sweatshops van Manchester en New York werkten. Dodelijke ongelukken gebeurden honderd jaar geleden letterlijk aan de lopende band. Ledematen werden afgerukt door de ‘dark satanic mills’, zoals William Blake de sweatshops noemde. Jasmine heeft knijpers nodig om haar ogen open te houden, maar haar arbeidsomstandigheden zijn veel beter dan in de oude sweatshops. In het Manchester van de negentiende eeuw was de gemiddelde leeftijd 35. In Shanghai momenteel 77 – hoger dan in New York op dit moment.
Kortom: de weg naar welvaart, begint in sweatshops, hoe hard dat ook klinkt.
Maar ik ben het ook eens met Peled, de Israëlische regisseur die vindt dat Jasmine wordt uitgebuit. Westerse bedrijven maken misbruik, of op z’n minst gebruik, van Jasmines armoede. Niet alleen die bedrijven, overigens. Wij, de westerse consumenten – dat wil zeggen, jij en ik – willen onze spijkerbroeken voor de laagst mogelijke prijs kopen. Jasmine betaalt daarvoor de prijs.
Wat kunnen we hieraan doen?
Peled stelde voor om Jasmine een hoger loon te geven. Jasimine werkt voor zes dollarcent per uur. Aan een spijkerbroek verdienen alle arbeiders die hem maken, één dollar. De fabriek verkoopt de spijkerbroek voor vier dollar aan westerse bedrijven. In westerse winkels gaat diezelfde spijkerbroek voor zo’n vijftig dollar over de toonbank. Als wij in het westen daar niet vijftig, maar 51 dollar voor zouden betalen, zou het loon van Jasmine en haar collega’s verdubbelen. Waarom doen we dat niet? vroeg Peled.
De derde Chinese regisseur, Wang Dongdong, moest daar hard om lachen. Al dat extra geld zal verdwijnen in de zakken van corrupte fabrieksdirecteuren, politici en ambtenaren, zei Wang. Met die ene euro extra, geef je een fraaie bonus aan al die corruptie lui. Volgens Wang is de harde realiteit dat fabrieksarbeiders het laatste loon krijgen dat ze bereid zijn te accepteren. Er staan miljoenen andere Jasmines te trappelen om te werken, en in de communistische heilstaat China, regeren de kapitalistische wetten van vraag en aanbod. Hoe meer aanbod van werk, hoe lager de lonen.
Ik opperde nog dat wij in het Westen ook kunnen eisen dat China vrije, onafhankelijke vakbonden moeten toestaan. Zo niet, dan kopen wij geen spijkerbroeken meer van ze. Dongdong lag nu in een deuk: “Vrije vakbonden in China? Dat maakt Jasmine niet meer mee. En als jullie onze spijkerbroeken niet meer willen, wie gaat jullie spijkerbroeken dan maken?” Ook dan verliest Jasmine haar baan.
Maar er is nog een andere mogelijkheid. Ik weet zeker dat iedereen in deze zaal bereid is om een euro meer te betalen voor zijn of haar spijkerbroek als het loon van Jasmine inderdaad zou verdubbelen. Ik denk zelfs dat wij er vijf euro voor over zouden hebben als het loon van Jasmine en haar collega’s met een 1 euro omhoog zou gaan. Ik in ieder geval wel.
Ook denk ik dat Dongdong – die meent dat die extra euro terechtkomt bij corrupte directeuren en politici – niet helemaal gelijk heeft. Als de westerse bedrijven eisen dat Jasmine haar extra loon krijgt, en dat ook goed controleren, dan zullen de Chinese fabriekseigenaren dat zeker doen. In China Blue zie je hoe de fabrieksdirecteur kruipt en kronkelt voor de westerse bedrijven die zijn spijkerbroeken opkopen. Sterker nog: het is de reden dat Jasmine soms achttien uur per dag werkt. De westerse winkels zijn zeer gebrand op de leveringsdatum die ze afspreken – de nieuwe collectie moet op tijd in de winkels liggen – en om die deadlines te halen, moet Jasmine ‘s nachts doorwerken.
Maar hoe krijgen we westerse fabrikanten zo ver dat ze eisen dat er meer loon wordt uitgekeerd? En hoe krijgen we ze zover dat de bedrijven dat ook daadwerkelijk controleren of dat wordt uitbetaald?
Nu komt het op jou en mij aan. Als wij alleen spijkerbroeken kopen waarvan wij weten dat die extra euro bij Jasmine terechtkomt, zullen de westerse modebedrijven daar zorg voor dragen. De klant is immers koning.
Maar hoe vaak hebben we deze oproep al niet gehoord? En hoeveel mensen kopen daadwerkelijk spijkerbroeken die onder kosjere omstandigheden zijn gemaakt? Ik heb bijvoorbeeld geen idee hoe lang een fabrieksmeisjes gewerkt heeft, en welk loon ze daarvoor kreeg, voor de spijkerbroek die ik op dit moment draag.
Dit is mijn oplossing: de Nederlandse overheid moet modebedrijven verplichten om op hun producten aan te geven onder welke omstandigheden de producten zijn gemaakt.
Standaarden voor wat goede arbeidsomstandigheden zijn, zijn ruim voorhanden. Neem de verdragen van de International Labour Organization (ILO), een onderdeel van de Verenigde Naties. Daarin staat duidelijk omschreven welke rechten arbeiders hebben, zoals het recht op een vrije, onafhankelijke vakbond. Nederland, of nog mooier: de EU, moet kledingverkopers verplichten om op de spijkerbroek een keurmerk aan te brengen dat vertelt of de spijkerbroek wel of niet onder ILO-omstandigheden is gemaakt.
Overigens heeft China de ILO-verdragen al lang ondertekend, maar de Chinese overheid controleert niet of werkgevers zich daar aan houden. Dat hoeft ook niet, want dat gaan de westerse bedrijven doen die de spijkerbroeken verkopen. Als uitkomt dat de spijkerbroekfabrikanten liegen, zullen ze niet alleen bestraft worden (liegen tegen consumenten is in Nederlands verboden), maar ook grote imagoschade leiden en dus klandizie verliezen.
Merk op dat winkels best spijkerbroeken mogen verkopen die niet ILO-proof zijn. Alleen: ze mogen er niet over liegen. Deze methode werkt, zo leert het verleden. Neem kippeneieren. Fabrikanten moeten op de verpakking aangeven of hun eieren gelegd zijn door scharrelkippen of niet. Het gevolg is dat Albert Heijn geen eieren meer verkoopt die gelegd zijn in legbatterijen. Niemand wil ze meer kopen.
Met certificering kunnen jij en ik kiezen welke spijkerbroek we kopen: met of zonder ILO-label. En ik weet zeker dat jij een euro extra over hebt voor Jasmine. Want het is toch van god los dat Nederlands overheid de leefomstandigheden van een kip belangrijker vindt dan die van een Chinese fabrieksarbeidster?
Kortom: de overheid moet certificering van werkomstandigheden verplicht stellen. Is dat voldoende? Nee, maar het is een goed begin op weg naar betere arbeidsomstandigheden in China. Certificering van jeans is in strijd met het principe van vrijhandel, dat stelt dat de overheid zich niet of zo min mogelijk moet bemoeien met handel. Maar zonder certificering is de vrijheid van onze handel, de gevangenis van Jasmine.
Zie ook:















