Vrije Universiteit, Openingslezing themadag ‘Verleg je grenzen’, 4 april 2006
‘Verleg je grenzen’ is het thema van deze dag. Alleen al om persoonlijke redenen kan ik me helemaal vinden in deze aanbeveling.
Zo’n tien jaar geleden, halverwege mijn studie psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, studeerde ik een half jaar aan New York University in het hartje van Manhattan. In ‘The Capital of the World’, zoals de bescheiden slogan van de stad New York luidt, ging een wereld voor me open. Ik koos de vakken die ik altijd al had willen volgen, studeerde me het leplazerus, bezocht lezingen en musea en laafde me aan het overdonderende nachtleven van New York.
Voor mij was New York echt The Capital of the World, en het was niet toevallig dat ik in New York besloot die in mijn ogen ietwat sullige studie psychologie zo snel mogelijk af te maken. Ik wilde voortaan doen waar mijn hart écht naar uit ging en gaat: lezen, reizen en schrijven. In New York besloot ik, kortom, om journalist te worden.
Een week na het uitreiken van mijn bul zat ik in het vliegtuig naar Dar es Salaam (Tanzania). Ik ging een half jaar door Afrika reizen om op de bonnefooi reportages te schrijven. Ik zag hongersnoden, interviewde een Oegandese koning met vier miljoen onderdanen en maakte een van de mooiste treinreizen die een mens kan maken (Dar es Salaam – Kapiri Mposhi). Ik voelde me Kuifje in Afrika, en ik wist dat ik twee jaar eerder in New York de juiste beslissing had genomen om journalist te worden.
Werken, studeren en reizen in het buitenland is een luxe die je zelf niet mag ontzeggen. Door je voor langere tijd onder te dompelen in een andere cultuur, ontstaat een weldadige vervreemding met Nederland en het leven dat je daar leidt. Het is alsof je door een spiegelpaleis wandelt en jezelf voortdurend van een andere kant beziet. Belangrijke, levensbepalende beslissingen die je eerder in dat verre Nederland maakte, komen op losse schroeven te staan, en nieuwe inzichten dienzen zich aan.
Anno 2006 is er nog andere, meer prangende reden om je grenzen te verleggen en in het buitenland te gaan werken of te studeren. Die reden laat zich in een zin samenvatten: De volgende Bill Gates is een Chinees. En dat heeft grote gevolgen voor Nederlandse studenten.
Globalisering – het proces waarin landen, culturen en mensen steeds meer met elkaar vervlochten raken – verandert de wereld ingrijpend. Tot voor kort was globalisering voor ons, jonge mensen in het Westen, vooral één groot feest. We reizen de wereld af met spotgoedkope tickets, we dansen op muziek van Braziliaanse dj’s, we zwijmelen bij Indiase Bollywood-films en we kopen ons ongans aan spijkerbroeken en mp3-spelers die zonder de lage lonen in Midden-Amerika en Azië onbetaalbaar zouden zijn. Tot voor kort waren we kleine zonnekoninkjes die ons geluk in de wereld niet opkonden. Maar we zijn niet meer de enige die de vruchten van globalisering willen én kunnen plukken.
China en India zijn de economische grootmachten van de toekomst, daar is geen ontkomen aan. De cijfers spreken boekdelen.
Jaarlijks groeit de Chinese economie met zo’n negen à tien procent, waardoor de Chinese economie sinds begin jaren negentig is verdubbeld. De Chinese export groeit elk jaar met zo’n dertig procent, waardoor het Chinese aandeel in de mondiale export in vier jaar tijd verdubbelde. Als China dat tempo aanhoudt – en alle tekenen wijzen daarop – dan is China in enkele jaren ‘s werelds grootste exporteur én ‘s werelds grootste economie.
Om deze cijfers concreet te maken: de ontwakende Chinese draak gebruikt een kwart van al het staal in de wereld, een derde van alle rijst en bijna de helft van al het cement. Driekwart van alle sokken komt uit China, net als bijna tweederde van alle magnetrons en een derde van alle elektronica. Is het je opgevallen dat de prijs van paperclips is gestegen? Onlangs hoorde ik een Nederlandse paperclipfabrikant uitleggen waarom: de Chinese vraag naar staal doet de prijzen op de wereldmarkt stijgen, waardoor onze paperclips duurder worden. Om over de prijs van olie nog maar te zwijgen.
De omvang van de Indiase economie is veel kleiner dan die van China en kent lagere groeicijfers. Maar ook India groeit hard. Deutsche Bank becijferde dat binnen vijftien jaar niet China, maar India ‘s werelds snelst groeiende grote economie zal zijn.
India en China zijn niet van plan om voor altijd sokken, magnetrons en iPod’s te maken. Waar vroeger vooral laaggeschoold, eenvoudig productiewerk werd verplaatst naar lage lonen-landen, ‘verdwijnt’ nu steeds meer hoogwaardig werk. In de eerste fase van de globalisering werd het lopende band-werk uitbesteed. Momenteel vindt de tweede fase van globalisering plaats, en is het kantoorwerk aan de beurt. Het verplaatsen van hoogwaardig werk naar lage lonen-landen, wordt ook wel outsourcing genoemd. Een legioen hoogopgeleide Indiërs en Chinezen staat klaar om ons werk over te nemen. In de woorden van Nandan Nilekani, bestuursvoorzitter van Infosys, een van de grootste outsourcing-bedrijven ter wereld: “Al het werk dat door een glasvezelkabel kan, ligt voor ons voor het grijpen.”
Een bekend voorbeeld van outsourcing zijn de call centers in India. Grote Amerikaanse bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen of softwareproducenten, verplaatsen hun helpdesk naar India. Indiase telefonisten voeren de gesprekken met de klant. De Indiërs werken ‘s nachts (het is dan dag in Amerika), leren spreken met een Amerikaans accent en nemen een Amerikaanse naam aan zodat de klant zich op z’n gemak voelt. De Indiërs moeten zelfs plaatsnamen uit de buurt van de klant leren en ze worden op de hoogte gebracht van lokale nieuwtjes.
Niet alleen Engelstalige landen verplaatsen hun telefonische werk. Ook Franse bedrijven schakelen de telefoon door naar oude koloniën als Ivoorkust. Het weekblad Carp meldde dat enkele Nederlandse bedrijven hun call center hebben verplaatst naar Zuid-Afrika, waar Afrikaans sprekende telefonistes de Nederlandse klanten te woord staan.
Maar outsourcing gaat om meer dan call centers. Britse architectenbureaus laten schetsen uitwerken in Vietnam, Nederlandse softwareproducenten kiezen voor Tsjechische whizzkids, Indiase advocaten behandelen Amerikaanse echtscheidingsprocedures, KLM heeft de eigen inkoopafdeling grotendeels opgedoekt en de inkoop uitbesteed aan een Indiaas bedrijf, Reuters laat Wall Street-berichten schrijven in het Indiase Bangalore en Amerikaanse belastingadviseurs halen de schoenendoos met bonnetjes door een scanner, sturen de digitale documenten naar Bangalore, en ontvangen de volgende ochtend de ingevulde belastingformulieren per e-mail retour. Nog even en je moet je belastingformulier niet naar Groningen sturen, maar naar een of ander Indiaas provincieplaatsje.
Niet alle beroepen kunnen verplaatst worden. Denk aan een receptionist, die moet immers achter de receptie zitten. Of niet? In mei 2005 presenteerde een Amerikaans bedrijf de eerste receptioniste die niet in het chique New Yorkse kantoorpand zat, maar duizenden kilometers verderop: in Pakistan. Door middel van een videoverbinding had ze contact met de bezoekers, en met een druk op de knop opende ze de deur.
Kunstenaars dan, die kunnen niet outsourced worden. Hoewel: de Kunstfabriek is een atelier in Amsterdam waar Nederlandse kunstenaars ontwerpen maken en ze vervolgens laten schilderen door kunstenaars in China.
Artsen, die zijn niet te verplaatsen, toch? Soms wel. In India lezen radiologen de CAT-scans voor een second opinion. Thaise ziekenhuizen specialiseren zich in bepaalde medische ingrepen, zoals plastische chirurgie of heupoperaties. De Thaise arts blijft in de Thaise kliniek, want voor een Nederlandse verzekeringsmaatschappij kan het goedkoper zijn om de patiënt naar Thailand te laten vliegen dan een behandeling in Nederland te vergoeden. In Londen experimenteert een ziekenhuis met een robot die de dagelijkse ronde van de arts maakt. Via een videoverbinding kan de patiënt met de arts praten, die op een andere locatie in Londen werkt. Maar waarom zou die arts zich niet in Bombay of Beijing bevinden?
Alleen kappers lijken zeker van hun baan. Voorlopig.
Aan dit verlies van banen ligt een veel groter en structureel probleem ten grondslag: het Westen verliest zijn koppositie als kenniseconomie. Vroeger zetten Aziaten de computers in elkaar die wij ontwierpen, nu maken én ontwerpen ze de computers van de toekomst. Wij, het rijke Westen, zijn niet meer de slimsten. We worden ingehaald door Chinezen en Indiërs.
Minister Brinkhorst van Economische Zaken lijkt zich bewust van de dreiging. Zo zei hij vorig jaar: “De Chinezen zullen harder lopen, sneller lopen en uiteindelijk ons voorbij gaan... en dat wil ik niet”. Daarom moet Nederland een ‘kenniseconomie’ worden, een prachtig voornemen dat helaas nog niet te herkennen is in adequaat beleid.
Ook Europa heeft zich voorgenomen om uiterlijk in 2010 “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie” te zijn – de zogeheten Lissabon Agenda. Een behoorlijke uitdaging, want de EU geeft liever de helft van haar budget uit aan landbouwsubsidies dan aan onderzoek en onderwijs.
Elk voorjaar komen de Europese leiders bijeen om te bespreken hoe het met de Europese concurrentiekracht is gesteld. Aan de vooravond van de Europese top van dit jaar bracht de OESO een rapport uit met de titel The Economics of knowledge: Why education is key for Europe’s success. De algemene conclusie laat zich als volgt samenvatten: Europa heeft geen voorsprong meer qua onderwijs op lage lonen-landen als China, India en Korea. Volgens het rapport is het tijd om alle alarmbellen te laten rinkelen. De voorzitter van de Lisbon Council, een onafhankelijke denktank van wetenschappers en ondernemers die onderzoek verricht naar de concurrentiekracht van Europa, haalde fel uit naar Europese politici. Hij noemde het “ronduit immoreel om onze kinderen een wereld van toenemende concurrentie in te sturen, zonder ze het beste gereedschap te geven waarmee ze kunnen overleven.”
Het zal je maar gezegd worden.
Is het echt zo erg gesteld? Opnieuw spreken de cijfers boekdelen. Dit jaar studeren er in India en China een half miljoen studenten af op wetenschappelijk niveau dat vergelijkbaar is met ons masters niveau. In de VS zijn dat er zestigduizend. In China en India studeren meer ingenieurs af dan in Europa. In 2002 (er zijn geen recentere cijfers voorhanden) kende China zo’n twaalf miljoen studenten in het voortgezet onderwijs, een verdubbeling ten op zichtte van 1999.
Elk jaar organiseert chipfabrikant Intel een internationale competitie onder scholieren en studenten. Zo’n veertig landen doen mee. In 2004 deden zestigduizend Amerikaanse kinderen mee. Er deden ook Chinese kinderen mee: zes miljoen in totaal. Niet al die zes miljoen Chinese kinderen doen mee op het hoogste niveau, maar geen enkel land sleepte meer prijzen in de wacht dan China.
Microsoft heeft wereldwijd drie onderzoekscentra: een in Groot-Brittannië, een in de Verenigde Staten en een in Beijing. Op dit moment komen de meeste patentaanvragen van Microsoft uit het onderzoekscentrum in Beijing.
Er is geen ontkomen aan: de volgende Bill Gates, is een Chinees.
“So what?”, zul je misschien zeggen, “ik heb helemaal geen ambitie om de volgende Bill Gates te worden”.
Dat maakt niet uit, iedereen zal de concurrentiekracht van China en India aan den lijve ondervinden. De afgelopen jaren heb je misschien gedacht dat je directe concurrenten naast je zaten in de collegebank, of anders in de collegebanken van de Erasmus Universiteit of de UvA.
Maar nee, je concurrenten zitten in India en China. In de woorden van Bill Gates: “Vroeger had een middelmatig talent in een westerse provinciestad meer kans op een prettig en succesvol leven dan een groot talent in Beijing. Die wereld bestaat niet meer. Elk middelmatig talent, waar ook ter wereld, ondervindt directe concurrentie van een groot talent in Bombay of Beijing.”
Met andere woorden: de wereld is plat geworden. Iedereen concurreert met iedereen. India heeft momenteel meer dan 2,4 miljoen accountants en financiële specialisten en China heeft 1,7 miljoen pas afgestudeerde ingenieurs. Zij staan te popelen om jouw werk over te nemen. En het bedrijfsleven kent geen enkele bedenkingen om het werk aan hen uit te besteden, en niet aan jou. Volgens recent Amerikaans onderzoek zegt 38 procent van de tweehonderd grootste multinationals ‘een substantieel deel’ van hun onderzoek de komende drie jaar te verplaatsen naar India, China en andere opkomende economieën. Lage lonen alleen zijn daarbij niet doorslaggevend. In de woorden van een HR-manager van KLM: “Indiase academici werken harder en zijn slimmer dan Nederlandse academici.”
Het zal je maar gezegd worden.
Dat is natuurlijk goed nieuws voor al die Indiase en Chinese academici. Want je zult maar net zo slim en ambitieus zijn als jij en ik, maar je tegelijkertijd op geen enkele manier kunnen ontwikkelen, omdat je nu eenmaal in dat arme China en India woont. Miljoenen Chinezen en Indiërs – onze broeders en zusters die toevallig niet in Nederland of het Westen zijn geboren – krijgen nu eindelijk de kans op het welzijn en de welvaart waar wij al jaren van genieten. Wij moeten een beetje indikken, voor hen.
Evengoed: daar sta je dan, met je mooie bul op zak, en al die miljoenen slimme, ambitieuze en spotgoedkope Chinezen en Indiërs tegenover je.
Wat moet je doen?
Ten eerste moet je je afvragen of jij ‘touchable’ of ‘untouchable’ bent. Deze tweedeling introduceerde de Amerikaanse journalist Thomas Friedman in zijn boek The World is Flat. ‘Touchables’ zijn mensen wiens werk gemakkelijk naar lage lonen-landen verplaatst kan worden. Dit zijn accountants, maar ook artsen en al die andere beroepen de we zojuist de revue hebben laten passeren. Zij lopen kans hun baan te verliezen.
Tot de ‘untouchables’ behoren mensen die werk doen dat per definitie niet verplaatst kan worden, zoals verplegers op de Eerste Hulp, of, pak ‘m beet, ministers van Economische Zaken. Weer anderen doen zulk gespecialiseerd werk dat zij op de mondiale arbeidsmarkt bijna geen concurrentie ondervinden, en hun werk kunnen doen dankzij globalisering omdat hun afzetmarkt vele malen groter is geworden. Denk aan een iemand die meetapparatuur ontwikkelt die op maat gesneden is voor laboratoria die hartritmestoornissen bij apen onderzoeken – ik noem maar een dwarsstraat.
De meeste academici doen niet zeer gespecialiseerd werk. Waarschijnlijk behoren jij en ik tot de ‘touchables’. Maar wij staan nog lang niet buitenspel. Zolang wij ons blijven specialiseren en ons flexibel opstellen, zijn wij heel wat waard. Wij zijn de nieuwe arbeider, de zogeheten ‘flexmens’.
Hoe overleeft de flexmens op de grensloze arbeidsmarkt? De essentie van een succesvolle overlevings- én overwinningsstrategie, hoorde ik laatst uit de mond van een Nederlandse ICT-er die zijn baan dreigde kwijt te raken aan een Indiër. “Het belangrijkste”, zei hij in het VPRO programma Tegenlicht, “is dat je je interesse houdt en dat je je blijft ontwikkelen. Als je niet bang bent, en niet stil gaat staan, is er niets aan de hand.”
Zie jezelf niet als een onvervangbare werknemer die recht heeft op een baan voor het leven, zoals momenteel sommige Franse studenten doen, tegen beter weten in. Zie jezelf eerder als een freelancer die zichzelf voor korte of langere tijd verhuurt aan een bedrijf of instelling. Denk aan de oorsprong van het woord ‘freelancer’. In de middeleeuwen waren freelancers huursoldaten die uitblonken in het hanteren van een waardevol wapen, de lans. Vrije lansiers verhuurden zich aan het leger dat hen op dat moment het meest te bieden had.
Een prettig vooruitzicht? Niet onverdeeld. De macht van werkgevers kan te groot worden. Een grondige herziening van de verzorgingsstaat is nodig, waarbij helaas waardevolle voorzieningen zullen sneuvelen om échte solidariteit mogelijk te maken. Ook ons persoonlijk leven zou wel eens te veel in het teken komen te staan van werk en onzekerheden. Ikzelf ben freelance journalist en ik zou voor geen goud een vaste aanstelling willen. Evengoed kan ik me goed voorstellen dat anderen er niet aan moeten denken om als vrije lansier door het leven te gaan.
Over de gevolgen van deze nieuwe fase in de globalisering zal nog veel gediscussieerd moeten worden. Er zullen pijnlijke beslissingen moeten worden genomen. Maar veel keus hebben we niet. Globalisering heeft de wereld op z’n kop gezet en daar moeten we naar handelen. De Indiërs en Chinezen wachten niet op ons.
Ondertussen kun je nu al heel wat doen om van ‘touchable’ te veranderen in een ‘untouchable’. Een paar tips.
Doe alleen werk dat je echt leuk en interessant vindt. Wanneer je vroeger ongemotiveerd was, vond je je werk saai en duurden de dagen lang. Als je nu je werk oninteressant vindt, zal je carrière in ieder geval niet lang duren.
Verdiep je in de Chinese maatschappij, economie en cultuur en zorg dat je wat Chinees spreekt.
Ga backpakken in India, en bezoek bijvoorbeeld Bangalore, het epicentrum van de outsourcing-industrie.
Doe niet de geijkte uitwisseling met een Amerikaanse universiteit, maar ga naar een Indiase of Chinese universiteit.
Kortom, leer China en India kennen. Waarschijnlijk kom je de komende jaren nog heel wat Chinezen en Indiërs tegen, en dan helpt het dat jij ze beter kent en begrijpt dan anderen. Want ondanks die fraaie slogan, is New York allang niet meer ‘The capital of the World’.
Al met al: wees niet bang, maar nieuwsgierig. Blijf jezelf ontwikkelen, en sta niet stil. Verleg je grenzen. Dan ligt de wereld nog altijd aan je voeten.
Evert Nieuwenhuis (1973) is freelance journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Van deze lezing is een bewerking verschenen in het NRC Handelsblad (27 april 2006).
Bronnen
Buitelaar, P.: De Groei van China is houdbaar. Economisch Statistische Berichten, 10 maart 2006.
Chen, Kathy & Dean, Jason: Low costs, plentiful talent mak China a global magnet for R&D. The Wall Street Journal, 14 maart 2006.
Economist, The: World in Figures 2006. Profile Books, 2005.
Egten, C.A. van; Vijlder, F.J. de; Molenaar, N.E.M. & Amerongen, J. van: Het Innovatieplatform: van inzicht naar implementatie. Midterm Review Innovatieplatform. Capgemini, 2005.
Flavin, Christopher & Gardner, Gary: China, India and the New World Order. In: State of the World 2006. Worldwatch Institute, 2006.
Friedman, Thomas L.: The World is Flat. Farrar, Straus & Giroux, 2005.
Gilboy, George J.: The Myth Behind China's Miracle. Foreign Affairs, juli/augustus 2004.
Knapen, Ben: Naar Azië. NRC Handelsblad, 25 januari 20006.
Lohr, Steve: Outsourcing Is Climbing Skills Ladder. The New York Times, 16 februari 2006.
Marle, Ilya van: Wat ú doet, kan hij goedkoper. Intermediair, 20 november 2003.
Meerman, Marije: De Flexmens. VPRO Tegenlicht, 22 januari 2006. www.vpro.nl/programma/tegenlicht.
Nieuwenhuis, Evert: De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista. Van Gennep, 2005.
OESO: Factbook 2006.
Oudheusden, Olaf: De Chinezen komen! VPRO Tegenlicht, 12 september 2004. www.vpro.nl/programma/tegenlicht.
Paassen, Daphne van & Peters, Thijs: Alles moet anders. Intermediair, 6 april 2004.
Peters, Thijs: Ander werk. Intermediair, 21 oktober 2004.
Robers, Dan & Luce, Edward: Service industries go global, Financial Times, 20 augustus 2003.
Schleicher, Andreas: The economics of knowledge: Why education is key for Europe’s succes. Lisbon Council / OECD, 2006.
UNESCO: Statistics; via www.unesco.org.
Versluis, Kees: Go east, young man. Intermediair, 4 november 2004.
Visscher, Marco: De revanche van de rechterhersenhelft luidt de opkomst in van een nieuw tijdperk. Ode, nr 76, 2005.
Waard, Michèle de: Lissabon is nog heel ver weg. NRC Handelsblad, 1 april 2006.















