Outsourcing en Nederlandse ontwerpers
De Senseo als lakmoesproef
Evert Nieuwenhuis
Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO) – Lezingenavond: 'Nederland Uitbesteed', 31 mei 2006
Niet alleen eenvoudig productiewerk, ook hoogwaardig en creatief werk wordt steeds vaker uitbesteed aan lagelonenlanden als India en China. Wat betekent deze ontwikkeling voor Nederlandse ontwerpers? Dit is het doembeeld: zodra een Indiër of een Chinees een succesvolle opvolger van de Senseo ontwerpt, valt het doek voor de Nederlandse ontwerper. Zal het ooit zover komen?
Globalisering – het proces waarin landen, culturen en mensen steeds meer met elkaar vervlochten raken – verandert de wereld ingrijpend. Tot voor kort was globalisering voor ons, het Westen, een ware bonanza. We reizen de wereld af met spotgoedkope tickets, we laten Fillipijnse werksters voor een habbekrats de lastige klusjes thuis doen en bovenal: we kopen ons ongans aan spijkerbroeken, iPods en flat-screen-tv’s die zonder de lage lonen in Midden-Amerika en Azië onbetaalbaar zouden zijn.
Globalisering veranderde voor ons, rijke, westerse consumenten en producenten, de wereld in één grote koopjeshal. En het mooiste moest nog komen: de ontsluiting van de oneindig grote consumentenmarkten in China en India, waar veertig procent van de wereldbevolking woont. Elke Chinees zou een koelkast krijgen, en wij zouden die ontwerpen én verkopen.
Maar enkele jaren geleden werden ergens, bijna onmerkbaar, de wissels omgezet. We zijn niet meer de enige die de vruchten van globalisering willen én kunnen plukken. China en India zijn de economische grootmachten van de toekomst, daar is geen ontkomen aan. De cijfers spreken boekdelen.
Jaarlijks groeit de Chinese economie met zo’n negen à tien procent, waardoor de omvang van de Chinese economie sinds begin jaren negentig is verdubbeld. De Chinese export groeit elk jaar met zo’n dertig procent, met als gevolg dat het Chinese aandeel in de mondiale export in vier jaar tijd verdubbelde. Als China dit tempo aanhoudt – en alle tekenen wijzen daarop – dan is China in enkele jaren ‘s werelds grootste exporteur én ‘s werelds grootste economie.
Om deze cijfers concreet te maken: de ontwakende Chinese draak gebruikt een kwart van al het staal in de wereld, een derde van alle rijst en bijna de helft van al het cement. Driekwart van alle sokken komt uit China, net als bijna tweederde van alle magnetrons en een derde van alle elektronica. Is het u opgevallen dat de prijs van paperclips is gestegen? Onlangs hoorde ik een Nederlandse paperclipfabrikant uitleggen waarom: de Chinese vraag naar staal doet de prijzen op de wereldmarkt stijgen, waardoor onze paperclips duurder worden. Om over de prijs van olie nog maar te zwijgen.
De omvang van de Indiase economie is veel kleiner dan die van China en kent lagere groeicijfers. Maar ook India groeit hard. Deutsche Bank becijferde dat binnen vijftien jaar niet China, maar India ‘s werelds snelst groeiende grote economie zal zijn.

Maar India en China zijn niet van plan om voor altijd sokken, magnetrons en iPod’s te maken. Waar vroeger vooral laaggeschoold, eenvoudig productiewerk werd verplaatst naar lagelonenlanden, ‘verdwijnt’ nu steeds meer hoogwaardig werk.
In de eerste fase van de globalisering werd het lopendebandwerk uitbesteed. Momenteel vindt de tweede fase van globalisering plaats, en is het kantoorwerk aan de beurt. Je zou het Globalisation, the next level kunnen noemen, waarin outsourcing het codewoord is.
Outsourcing is het verplaatsen van hoogwaardig werk naar lagelonenlanden. Een legioen hoogopgeleide Indiërs en Chinezen staat klaar om ons werk over te nemen. In de woorden van Nandan Nilekani, bestuursvoorzitter van Infosys, een van de grootste outsourcing-bedrijven ter wereld: “Al het werk dat door een glasvezelkabel kan, ligt voor ons voor het grijpen.”
En hoe: anno 2006 trekt globalisering een spoor van lege bureaus in Nederlandse kantoren.

Een bekend voorbeeld van outsourcing zijn de call centers in India. Grote Amerikaanse bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen of softwareproducenten, verplaatsen hun helpdesk naar India. Indiase telefonisten voeren de gesprekken met de klant. De Indiërs werken ‘s nachts (het is dan dag in Amerika), leren spreken met een Amerikaans accent en nemen een Amerikaanse naam aan zodat de klant zich op z’n gemak voelt. De Indiërs moeten zelfs plaatsnamen uit de buurt van de klant leren en ze worden op de hoogte gebracht van lokale nieuwtjes.
Niet alleen Engelstalige landen verplaatsen hun telefonische werk. Ook Franse bedrijven schakelen de telefoon door naar oude koloniën als Ivoorkust. Het weekblad Carp meldde dat enkele Nederlandse bedrijven hun call center hebben verplaatst naar Zuid-Afrika, waar Afrikaans sprekende telefonistes de Nederlandse klanten te woord staan. Het NOS Journaal toonde een tijdje terug het eerste Nederlandse call center in Suriname.
Maar outsourcing gaat om meer dan call centers. Britse architectenbureaus laten schetsen uitwerken in Vietnam, Nederlandse softwareproducenten kiezen voor Tsjechische whizzkids, Indiase advocaten behandelen Amerikaanse echtscheidingsprocedures, KLM heeft de eigen inkoopafdeling grotendeels opgedoekt en de inkoop uitbesteed aan een Indiaas bedrijf, Reuters laat Wall Street-berichten schrijven in het Indiase Bangalore en Amerikaanse belastingadviseurs halen de schoenendoos met bonnetjes door een scanner, sturen de digitale documenten naar Bangalore, en ontvangen de volgende ochtend de ingevulde belastingformulieren per e-mail retour. Nog even en je moet je belastingformulier niet naar Groningen sturen, maar naar een of ander Indiaas provincieplaatsje.
Niet alle beroepen kunnen verplaatst worden. Denk aan een receptionist, die moet immers achter de receptie zitten. Of niet? In mei 2005 presenteerde een Amerikaans bedrijf de eerste receptioniste die niet in het chique New Yorkse kantoorpand zat, maar duizenden kilometers verderop: in Pakistan. Door middel van een videoverbinding had ze contact met de bezoekers, en met een druk op de knop opende ze de deur.
Kunstenaars dan, die kunnen niet outsourced worden. Hoewel: de Kunstfabriek is een atelier in Amsterdam waar Nederlandse kunstenaars ontwerpen maken en ze vervolgens laten schilderen door kunstenaars – in China.
Artsen, die zijn niet te verplaatsen, toch? Soms wel. In India lezen radiologen de CAT-scans voor een second opinion. Thaise ziekenhuizen specialiseren zich in bepaalde medische ingrepen, zoals plastische chirurgie of heupoperaties. De Thaise arts blijft in de Thaise kliniek, want voor een Nederlandse verzekeringsmaatschappij kan het goedkoper zijn om de patiënt naar Thailand te laten vliegen dan een behandeling in Nederland te vergoeden. In Londen experimenteert een ziekenhuis met een robot die de dagelijkse ronde van de arts maakt. Via een videoverbinding kan de patiënt met de arts praten, die op een andere locatie in Londen werkt. Maar waarom zou die arts zich niet in Bombay of Beijing bevinden?
Alleen kappers lijken zeker van hun baan. Voorlopig.

Aan dit verlies van banen ligt een veel groter en structureel probleem ten grondslag: het Westen verliest zijn koppositie als kenniseconomie. Vroeger zetten Aziaten de computers in elkaar die wij ontwierpen, nu maken én ontwerpen ze de computers van de toekomst. Wij, het rijke Westen, zijn niet meer de slimsten. We worden ingehaald door Chinezen en Indiërs.
Is het echt zo erg gesteld? Opnieuw spreken de cijfers boekdelen. Dit jaar studeren er in India en China een half miljoen studenten af op wetenschappelijk niveau dat vergelijkbaar is met ons masters niveau. In de VS zijn dat er zestigduizend. In China en India studeren meer ingenieurs af dan in Europa. In 2002 (er zijn geen recentere cijfers voorhanden) kende China zo’n twaalf miljoen studenten in het voortgezet onderwijs, een verdubbeling ten opzichte van 1999.
Elk jaar organiseert chipfabrikant Intel een internationale competitie onder scholieren en studenten. Zo’n veertig landen doen mee. In 2004 deden zestigduizend Amerikaanse kinderen mee. Er deden ook Chinese kinderen mee: zes miljoen in totaal. Niet al die zes miljoen Chinese kinderen doen mee op het hoogste niveau, maar geen enkel land sleepte meer prijzen in de wacht dan China.
Microsoft heeft wereldwijd drie onderzoekscentra: een in Groot-Brittannië, een in de Verenigde Staten en een in Beijing. Op dit moment komen de meeste patentaanvragen van Microsoft uit het onderzoekscentrum in Beijing.
Er is geen ontkomen aan: de volgende Bill Gates, is een Chinees.

Maar waar maken we ons in deze zaal druk over. U bent immers ontwerper. Chinezen en Indiërs mogen slimmer én goedkoper zijn, van design hebben ze geen kaas gegeten, niet waar? U blijft onmisbaar en onvervangbaar. De volgende Bill Gates mag een Chinees zijn, de nieuwe Rietveld is gewoon een Hollander.
Ik hoop het met u, maar ik ben er tegelijkertijd niet helemaal zeker van.
Volgens Bill Gates zal iedereen de concurrentiekracht van China en India aan den lijve ondervinden. In de woorden van Bill Gates: “Vroeger had een middelmatig talent in een westerse provinciestad meer kans op een prettig en succesvol leven dan een groot talent in Beijing. Die wereld bestaat niet meer. Elk middelmatig talent, waar ook ter wereld, ondervindt directe concurrentie van een groot talent in Bombay of Beijing.”
De Amerikaanse journalist Thomas L. Friedman maakt in zijn boek The World is Flat – A brief history of the twentieth century een tweedeling tussen ‘touchables’ en ‘untouchables’. ‘Touchables’ zijn mensen wiens werk gemakkelijk naar lagelonenlanden verplaatst kan worden. Dit zijn accountants, maar ook artsen en al die andere beroepen de we zojuist de revue hebben laten passeren. Zij lopen kans hun baan te verliezen.
Tot de ‘untouchables’ behoren mensen die werk doen dat per definitie niet verplaatst kan worden, zoals verplegers op de Eerste Hulp. Weer anderen doen zulk gespecialiseerd werk dat zij op de mondiale arbeidsmarkt bijna geen concurrentie ondervinden, of hun werk kunnen doen dankzij globalisering omdat hun afzetmarkt vele malen groter is geworden.
Een Canadese hoogleraar Economie gaf zijn studenten de volgende tip mee om te overleven op de mondiale arbeidsmarkt: of je wordt professor, of je wordt pizzabezorger.
En ontwerpers, zijn die touchable? Met ander woorden: zijn ontwerpers in lagelonenlanden in staat om uw werk over te nemen?
Een aantal ontwerpers is al vogelvrij verklaard. De Telegraaf laat sinds kort advertentie-pagina’s in India opmaken. Steeds meer woordenboeken en naslagwerken worden opgemaakt in lagelonenlanden. Ik heb begrepen dat vanavond de directeur van een bedrijf aanwezig is dat beeld vrijstaand laat maken in Nepal, tegen een kwart van de kosten in Nederland.
Maar zijn alle Nederlandse ontwerpers vogelvrij? Laten we die vraag heel concreet maken: kunnen ontwerpers uit lagelonenlanden een Senseo ontwerpen? Geen enkel ander product leent zich beter voor deze vraag dan de Senseo.

De Senseo wordt alom geroemd als een hoogtepunt in de geschiedenis van het Nederlandse ontwerp. Luister naar de woorden van Karien van Gennip, staatssecretaris van Economische Zaken en ambassadeur van de Senseo in de verkiezing van het Beste Nederlandse Design, onlangs georganiseerd door het NRC Handelsblad en de Premsela Stichting. Ik citeer de staatsecretaris: “Als staatssecretaris kan ik in het buitenland de Senseo goed gebruiken voor mijn verhaal over Nederlandse producten. Philips, een hoogtechnologisch bedrijf, en Douwe Egberts, een echt Hollands koffiebedrijf, kwamen samen met het ontwerpbureau Waacs op een idee voor een markt waarvan niemand dacht dat er iets nieuws voor verzonnen kon worden. (...) De Senseo bewijst dat design ontzettend veel kan doen voor een product. Er zijn er wereldwijd al tien miljoen verkocht. In de steeds verder globaliserende wereldeconomie kan Nederland zich onderscheiden met het laten samenkomen van techniek en design.”
De Senseo is geen technologisch hoogstandje, het apparaat had ook twintig jaar gelden uitgevonden kunnen worden. Bovendien is de koffie die de Senseo maakt, middelmatig tot slecht – maar goed, tot u spreekt een verstokt liefhebber van een straffe espresso, iemand die niets moet hebben van de laffe leut die Senseo produceert.
Wat de Senseo zo uniek maakt, is het feit dat het apparaat perfect aansluit bij de hedendaagse tijdsgeest in Nederland. Ik ben niet de eerste die het opmerkt, maar de Senseo is de verzinnebeelding van de individualisering die de Nederlandse maatschappij kenmerkt. We willen op ons eigen moment ons eigen smaakje koffie drinken en we willen er niet te lang op wachten. In de woorden van Van Gennip, de ambassadeur van de Senseo: “Ik wou dat ik een Senseo had, het is toch een makkelijk ding. Ouderwets koffiezetten duurt lang en je maakt altijd te veel. En je kunt niet verschillende sterktes en smaakjes serveren. (...) Wat is er nou Hollandser dan even een bakje doen met de Senseo?” zei de staatssecretaris van Economische Zaken onlangs in het NRC Handelsblad.
Overigens moet ik de staatsecretaris wel eer aan doen: zij heeft naar eigen zeggen geen Senseo omdat ook zij liever espresso drinkt.
Terug naar de centrale vraag van vanavond: zouden Chinese, Indiase of ontwerpers uit andere lagelonenlanden, in staat om een waardige opvolger van zo’n “oer-Hollands product” als de Senseo te bedenken én te ontwerpen? Zo ja, dan bent u als ontwerper touchable. Zo nee, dan bent u untouchable.
De Senseo als lakmoesproef.

Indiërs, en met name Chinezen, ontwerpen foeilelijke producten, dat weten we allemaal. Het glimt en glittert als een Franse hoerenkast, en de knoppen en displays kunnen alleen mooi gevonden worden door Chinese boeren. Een goed gevoel voor wat Europese consumenten stijlvol vinden, hebben de meeste Aziatische bedrijven bepaald niet.
Vorige week rolden de eerste Chinese auto’s in substantiële getale de Rotterdamse havenkades op. In de kranten waren foto’s te zien van een showroom gevuld met verschillende Chinese modellen. We wisten al eerder dat Chinese auto’s niet aan Europese veiligheidseisen voldoen, maar dat ze ook nog eens zo lelijk als de nacht zijn, dat wisten we niet. De Chinese auto-industrie heeft nog een lange weg te gaan voor het de Europese consument kan bekoren.
Of niet?
Het VPRO-televisieprogramma Tegenlicht liet in een uitzending een Nederlandse importeur van Chinese koelkasten aan het woord. Ontworpen, geproduceerd en verkocht door het Chinese merk Haier – onthoudt die naam. Ze zagen er opvallend westers uit. De importeur vertelde hoe hij aan deze modellen was gekomen. Tijdens een bezoek aan de fabrieken van Haier lieten de Chinese ontwerpers enkele modellen zien.
“Dat verkoopt niet in Europa”, zei de importeur, “veel te grof, te veel plastic en tja, te lomp”.
“Hoe moet een koelkast er dan uit zien?”, wilden de Chinezen weten.
De importeur legde aan zijn Chinese gastheren uit hoe wij Europeanen graag een koelkast zien. Vervolgens ging het gezelschap lunchen.
Na de lunch riepen enkele Chinezen de Hollanders nog even bij zich. Was dit misschien wat ze bedoelden? Voor hen stonden enkele prototypes die de Chinese ontwerpers van Haier tijdens de lunch hadden gemaakt.
“Dat lijkt verdomd veel op Europese koelkasten”, stamelde de importeur. De Chinezen hadden er slechts een lunch voor nodig om een Europese koelkast te ontwerpen
Trek uw eigen conclusies, maar ik zou zeggen dat ontwerpers van koelkasten en andere huishoudelijke apparatuur, aardig ‘touchable’ zijn.
Ik vraag u: wat zou er gebeuren als deze importeur een Senseo aan de Chinese ontwerpers laat zien? Zouden ze een waardige opvolger kunnen ontwerpen? Zouden ze over enkele jaren een product kunnen ontwerpen dat ook naadloos bij onze cultuur en levenstijl past?

Ikzelf ben optimistisch over deze vraag. Ik denk niet dat u betere producten kunt ontwerpen dan Chinezen en Indiërs – misschien nu nog, maar over een paar jaar niet meer – maar ik denk wel dat u beter begrijpt wat wij Nederlanders mooi vinden en waar wij ons geld aan willen besteden. Misschien dat u in de toekomst niet voor Philips en Douwe Egberts producten ontwerpt, maar voor Haier en bedrijven met namen als Golden Flower Foods International, maar ach, what’s in a name, a rose is a rose is a rose.
Ook over outsourcing en Globalisation, the next level ben ik optimistisch. In potentie brengt de integratie van de Indiase en Chinese middenklasse in de wereldeconomie veel goeds. Honderden miljoenen mensen krijgen de kans op een beter leven en beter werk. Bovendien zullen meer mensen dan ooit producten ontwerpen die ons leven verbeteren of veraangenamen, variërend van betere beademingsmachines tot mooiere iPod’s.
Daarnaast is de Nederlandse economie niet ten dode opgeschreven. Traditioneel is Nederland een handelsnatie die floreert bij toenemende wereldhandel. Als Duitsers meer auto’s uit Beijing kopen en minder uit Beieren, is dat goed nieuws voor Rotterdam. Nederlanders zijn ook eerder dienstverleners dan uitvinders, en onze baggeraars en bankiers profiteren van wereldwijde economische groei. En hoe meer welvarende consumenten er zijn – in Nederland én in de rest van de Wereld – hoe meer producten u kunt ontwerpen. Wie weet bedenkt u wel een Chinese Senseo.
Maar de wereld staat niet stil, en nog nooit is de concurrentie zo groot geweest, ook niet voor Nederlandse ontwerpers. Als wij in Nederland de komende decennia ons welvaartsniveau willen behouden, zullen we daar nu naar moeten handelen. Helaas bespeur ik in brede lagen van de samenleving zo goed als geen besef van urgentie. Ook niet bij beleidsmakers. “Je zou haast willen”, schreef ik vorige maand in een opiniestuk in het NRC Handelsblad, “dat ook parlementariërs, ministers en ambtenaren door outsourcing hun baan kunnen verliezen, zodat ze wellicht enige daadkracht aan de dag zouden leggen.”
Dat geldt ook voor u. U zult zich steeds meer moeten onderscheiden. U moet bewijzen dat niemand betere en mooiere Senseo’s kan ontwerpen, dan u.
Ik dank u voor uw aandacht.

Evert Nieuwenhuis is journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids – van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Een deel van deze tekst is een bewerking van een lezing die hij eerder op de Vrije Universiteit gaf.
© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl
 
Outsourcing en Nederlandse ontwerpers
De Senseo als lakmoesproef
Evert Nieuwenhuis
Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO) – Lezingenavond: 'Nederland Uitbesteed', 31 mei 2006
Niet alleen eenvoudig productiewerk, ook hoogwaardig en creatief werk wordt steeds vaker uitbesteed aan lagelonenlanden als India en China. Wat betekent deze ontwikkeling voor Nederlandse ontwerpers? Dit is het doembeeld: zodra een Indiër of een Chinees een succesvolle opvolger van de Senseo ontwerpt, valt het doek voor de Nederlandse ontwerper. Zal het ooit zover komen?
Globalisering – het proces waarin landen, culturen en mensen steeds meer met elkaar vervlochten raken – verandert de wereld ingrijpend. Tot voor kort was globalisering voor ons, het Westen, een ware bonanza. We reizen de wereld af met spotgoedkope tickets, we laten Fillipijnse werksters voor een habbekrats de lastige klusjes thuis doen en bovenal: we kopen ons ongans aan spijkerbroeken, iPods en flat-screen-tv’s die zonder de lage lonen in Midden-Amerika en Azië onbetaalbaar zouden zijn.
Globalisering veranderde voor ons, rijke, westerse consumenten en producenten, de wereld in één grote koopjeshal. En het mooiste moest nog komen: de ontsluiting van de oneindig grote consumentenmarkten in China en India, waar veertig procent van de wereldbevolking woont. Elke Chinees zou een koelkast krijgen, en wij zouden die ontwerpen én verkopen.
Maar enkele jaren geleden werden ergens, bijna onmerkbaar, de wissels omgezet. We zijn niet meer de enige die de vruchten van globalisering willen én kunnen plukken. China en India zijn de economische grootmachten van de toekomst, daar is geen ontkomen aan. De cijfers spreken boekdelen.
Jaarlijks groeit de Chinese economie met zo’n negen à tien procent, waardoor de omvang van de Chinese economie sinds begin jaren negentig is verdubbeld. De Chinese export groeit elk jaar met zo’n dertig procent, met als gevolg dat het Chinese aandeel in de mondiale export in vier jaar tijd verdubbelde. Als China dit tempo aanhoudt – en alle tekenen wijzen daarop – dan is China in enkele jaren ‘s werelds grootste exporteur én ‘s werelds grootste economie.
Om deze cijfers concreet te maken: de ontwakende Chinese draak gebruikt een kwart van al het staal in de wereld, een derde van alle rijst en bijna de helft van al het cement. Driekwart van alle sokken komt uit China, net als bijna tweederde van alle magnetrons en een derde van alle elektronica. Is het u opgevallen dat de prijs van paperclips is gestegen? Onlangs hoorde ik een Nederlandse paperclipfabrikant uitleggen waarom: de Chinese vraag naar staal doet de prijzen op de wereldmarkt stijgen, waardoor onze paperclips duurder worden. Om over de prijs van olie nog maar te zwijgen.
De omvang van de Indiase economie is veel kleiner dan die van China en kent lagere groeicijfers. Maar ook India groeit hard. Deutsche Bank becijferde dat binnen vijftien jaar niet China, maar India ‘s werelds snelst groeiende grote economie zal zijn.

Maar India en China zijn niet van plan om voor altijd sokken, magnetrons en iPod’s te maken. Waar vroeger vooral laaggeschoold, eenvoudig productiewerk werd verplaatst naar lagelonenlanden, ‘verdwijnt’ nu steeds meer hoogwaardig werk.
In de eerste fase van de globalisering werd het lopendebandwerk uitbesteed. Momenteel vindt de tweede fase van globalisering plaats, en is het kantoorwerk aan de beurt. Je zou het Globalisation, the next level kunnen noemen, waarin outsourcing het codewoord is.
Outsourcing is het verplaatsen van hoogwaardig werk naar lagelonenlanden. Een legioen hoogopgeleide Indiërs en Chinezen staat klaar om ons werk over te nemen. In de woorden van Nandan Nilekani, bestuursvoorzitter van Infosys, een van de grootste outsourcing-bedrijven ter wereld: “Al het werk dat door een glasvezelkabel kan, ligt voor ons voor het grijpen.”
En hoe: anno 2006 trekt globalisering een spoor van lege bureaus in Nederlandse kantoren.

Een bekend voorbeeld van outsourcing zijn de call centers in India. Grote Amerikaanse bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen of softwareproducenten, verplaatsen hun helpdesk naar India. Indiase telefonisten voeren de gesprekken met de klant. De Indiërs werken ‘s nachts (het is dan dag in Amerika), leren spreken met een Amerikaans accent en nemen een Amerikaanse naam aan zodat de klant zich op z’n gemak voelt. De Indiërs moeten zelfs plaatsnamen uit de buurt van de klant leren en ze worden op de hoogte gebracht van lokale nieuwtjes.
Niet alleen Engelstalige landen verplaatsen hun telefonische werk. Ook Franse bedrijven schakelen de telefoon door naar oude koloniën als Ivoorkust. Het weekblad Carp meldde dat enkele Nederlandse bedrijven hun call center hebben verplaatst naar Zuid-Afrika, waar Afrikaans sprekende telefonistes de Nederlandse klanten te woord staan. Het NOS Journaal toonde een tijdje terug het eerste Nederlandse call center in Suriname.
Maar outsourcing gaat om meer dan call centers. Britse architectenbureaus laten schetsen uitwerken in Vietnam, Nederlandse softwareproducenten kiezen voor Tsjechische whizzkids, Indiase advocaten behandelen Amerikaanse echtscheidingsprocedures, KLM heeft de eigen inkoopafdeling grotendeels opgedoekt en de inkoop uitbesteed aan een Indiaas bedrijf, Reuters laat Wall Street-berichten schrijven in het Indiase Bangalore en Amerikaanse belastingadviseurs halen de schoenendoos met bonnetjes door een scanner, sturen de digitale documenten naar Bangalore, en ontvangen de volgende ochtend de ingevulde belastingformulieren per e-mail retour. Nog even en je moet je belastingformulier niet naar Groningen sturen, maar naar een of ander Indiaas provincieplaatsje.
Niet alle beroepen kunnen verplaatst worden. Denk aan een receptionist, die moet immers achter de receptie zitten. Of niet? In mei 2005 presenteerde een Amerikaans bedrijf de eerste receptioniste die niet in het chique New Yorkse kantoorpand zat, maar duizenden kilometers verderop: in Pakistan. Door middel van een videoverbinding had ze contact met de bezoekers, en met een druk op de knop opende ze de deur.
Kunstenaars dan, die kunnen niet outsourced worden. Hoewel: de Kunstfabriek is een atelier in Amsterdam waar Nederlandse kunstenaars ontwerpen maken en ze vervolgens laten schilderen door kunstenaars – in China.
Artsen, die zijn niet te verplaatsen, toch? Soms wel. In India lezen radiologen de CAT-scans voor een second opinion. Thaise ziekenhuizen specialiseren zich in bepaalde medische ingrepen, zoals plastische chirurgie of heupoperaties. De Thaise arts blijft in de Thaise kliniek, want voor een Nederlandse verzekeringsmaatschappij kan het goedkoper zijn om de patiënt naar Thailand te laten vliegen dan een behandeling in Nederland te vergoeden. In Londen experimenteert een ziekenhuis met een robot die de dagelijkse ronde van de arts maakt. Via een videoverbinding kan de patiënt met de arts praten, die op een andere locatie in Londen werkt. Maar waarom zou die arts zich niet in Bombay of Beijing bevinden?
Alleen kappers lijken zeker van hun baan. Voorlopig.

Aan dit verlies van banen ligt een veel groter en structureel probleem ten grondslag: het Westen verliest zijn koppositie als kenniseconomie. Vroeger zetten Aziaten de computers in elkaar die wij ontwierpen, nu maken én ontwerpen ze de computers van de toekomst. Wij, het rijke Westen, zijn niet meer de slimsten. We worden ingehaald door Chinezen en Indiërs.
Is het echt zo erg gesteld? Opnieuw spreken de cijfers boekdelen. Dit jaar studeren er in India en China een half miljoen studenten af op wetenschappelijk niveau dat vergelijkbaar is met ons masters niveau. In de VS zijn dat er zestigduizend. In China en India studeren meer ingenieurs af dan in Europa. In 2002 (er zijn geen recentere cijfers voorhanden) kende China zo’n twaalf miljoen studenten in het voortgezet onderwijs, een verdubbeling ten opzichte van 1999.
Elk jaar organiseert chipfabrikant Intel een internationale competitie onder scholieren en studenten. Zo’n veertig landen doen mee. In 2004 deden zestigduizend Amerikaanse kinderen mee. Er deden ook Chinese kinderen mee: zes miljoen in totaal. Niet al die zes miljoen Chinese kinderen doen mee op het hoogste niveau, maar geen enkel land sleepte meer prijzen in de wacht dan China.
Microsoft heeft wereldwijd drie onderzoekscentra: een in Groot-Brittannië, een in de Verenigde Staten en een in Beijing. Op dit moment komen de meeste patentaanvragen van Microsoft uit het onderzoekscentrum in Beijing.
Er is geen ontkomen aan: de volgende Bill Gates, is een Chinees.

Maar waar maken we ons in deze zaal druk over. U bent immers ontwerper. Chinezen en Indiërs mogen slimmer én goedkoper zijn, van design hebben ze geen kaas gegeten, niet waar? U blijft onmisbaar en onvervangbaar. De volgende Bill Gates mag een Chinees zijn, de nieuwe Rietveld is gewoon een Hollander.
Ik hoop het met u, maar ik ben er tegelijkertijd niet helemaal zeker van.
Volgens Bill Gates zal iedereen de concurrentiekracht van China en India aan den lijve ondervinden. In de woorden van Bill Gates: “Vroeger had een middelmatig talent in een westerse provinciestad meer kans op een prettig en succesvol leven dan een groot talent in Beijing. Die wereld bestaat niet meer. Elk middelmatig talent, waar ook ter wereld, ondervindt directe concurrentie van een groot talent in Bombay of Beijing.”
De Amerikaanse journalist Thomas L. Friedman maakt in zijn boek The World is Flat – A brief history of the twentieth century een tweedeling tussen ‘touchables’ en ‘untouchables’. ‘Touchables’ zijn mensen wiens werk gemakkelijk naar lagelonenlanden verplaatst kan worden. Dit zijn accountants, maar ook artsen en al die andere beroepen de we zojuist de revue hebben laten passeren. Zij lopen kans hun baan te verliezen.
Tot de ‘untouchables’ behoren mensen die werk doen dat per definitie niet verplaatst kan worden, zoals verplegers op de Eerste Hulp. Weer anderen doen zulk gespecialiseerd werk dat zij op de mondiale arbeidsmarkt bijna geen concurrentie ondervinden, of hun werk kunnen doen dankzij globalisering omdat hun afzetmarkt vele malen groter is geworden.
Een Canadese hoogleraar Economie gaf zijn studenten de volgende tip mee om te overleven op de mondiale arbeidsmarkt: of je wordt professor, of je wordt pizzabezorger.
En ontwerpers, zijn die touchable? Met ander woorden: zijn ontwerpers in lagelonenlanden in staat om uw werk over te nemen?
Een aantal ontwerpers is al vogelvrij verklaard. De Telegraaf laat sinds kort advertentie-pagina’s in India opmaken. Steeds meer woordenboeken en naslagwerken worden opgemaakt in lagelonenlanden. Ik heb begrepen dat vanavond de directeur van een bedrijf aanwezig is dat beeld vrijstaand laat maken in Nepal, tegen een kwart van de kosten in Nederland.
Maar zijn alle Nederlandse ontwerpers vogelvrij? Laten we die vraag heel concreet maken: kunnen ontwerpers uit lagelonenlanden een Senseo ontwerpen? Geen enkel ander product leent zich beter voor deze vraag dan de Senseo.

De Senseo wordt alom geroemd als een hoogtepunt in de geschiedenis van het Nederlandse ontwerp. Luister naar de woorden van Karien van Gennip, staatssecretaris van Economische Zaken en ambassadeur van de Senseo in de verkiezing van het Beste Nederlandse Design, onlangs georganiseerd door het NRC Handelsblad en de Premsela Stichting. Ik citeer de staatsecretaris: “Als staatssecretaris kan ik in het buitenland de Senseo goed gebruiken voor mijn verhaal over Nederlandse producten. Philips, een hoogtechnologisch bedrijf, en Douwe Egberts, een echt Hollands koffiebedrijf, kwamen samen met het ontwerpbureau Waacs op een idee voor een markt waarvan niemand dacht dat er iets nieuws voor verzonnen kon worden. (...) De Senseo bewijst dat design ontzettend veel kan doen voor een product. Er zijn er wereldwijd al tien miljoen verkocht. In de steeds verder globaliserende wereldeconomie kan Nederland zich onderscheiden met het laten samenkomen van techniek en design.”
De Senseo is geen technologisch hoogstandje, het apparaat had ook twintig jaar gelden uitgevonden kunnen worden. Bovendien is de koffie die de Senseo maakt, middelmatig tot slecht – maar goed, tot u spreekt een verstokt liefhebber van een straffe espresso, iemand die niets moet hebben van de laffe leut die Senseo produceert.
Wat de Senseo zo uniek maakt, is het feit dat het apparaat perfect aansluit bij de hedendaagse tijdsgeest in Nederland. Ik ben niet de eerste die het opmerkt, maar de Senseo is de verzinnebeelding van de individualisering die de Nederlandse maatschappij kenmerkt. We willen op ons eigen moment ons eigen smaakje koffie drinken en we willen er niet te lang op wachten. In de woorden van Van Gennip, de ambassadeur van de Senseo: “Ik wou dat ik een Senseo had, het is toch een makkelijk ding. Ouderwets koffiezetten duurt lang en je maakt altijd te veel. En je kunt niet verschillende sterktes en smaakjes serveren. (...) Wat is er nou Hollandser dan even een bakje doen met de Senseo?” zei de staatssecretaris van Economische Zaken onlangs in het NRC Handelsblad.
Overigens moet ik de staatsecretaris wel eer aan doen: zij heeft naar eigen zeggen geen Senseo omdat ook zij liever espresso drinkt.
Terug naar de centrale vraag van vanavond: zouden Chinese, Indiase of ontwerpers uit andere lagelonenlanden, in staat om een waardige opvolger van zo’n “oer-Hollands product” als de Senseo te bedenken én te ontwerpen? Zo ja, dan bent u als ontwerper touchable. Zo nee, dan bent u untouchable.
De Senseo als lakmoesproef.

Indiërs, en met name Chinezen, ontwerpen foeilelijke producten, dat weten we allemaal. Het glimt en glittert als een Franse hoerenkast, en de knoppen en displays kunnen alleen mooi gevonden worden door Chinese boeren. Een goed gevoel voor wat Europese consumenten stijlvol vinden, hebben de meeste Aziatische bedrijven bepaald niet.
Vorige week rolden de eerste Chinese auto’s in substantiële getale de Rotterdamse havenkades op. In de kranten waren foto’s te zien van een showroom gevuld met verschillende Chinese modellen. We wisten al eerder dat Chinese auto’s niet aan Europese veiligheidseisen voldoen, maar dat ze ook nog eens zo lelijk als de nacht zijn, dat wisten we niet. De Chinese auto-industrie heeft nog een lange weg te gaan voor het de Europese consument kan bekoren.
Of niet?
Het VPRO-televisieprogramma Tegenlicht liet in een uitzending een Nederlandse importeur van Chinese koelkasten aan het woord. Ontworpen, geproduceerd en verkocht door het Chinese merk Haier – onthoudt die naam. Ze zagen er opvallend westers uit. De importeur vertelde hoe hij aan deze modellen was gekomen. Tijdens een bezoek aan de fabrieken van Haier lieten de Chinese ontwerpers enkele modellen zien.
“Dat verkoopt niet in Europa”, zei de importeur, “veel te grof, te veel plastic en tja, te lomp”.
“Hoe moet een koelkast er dan uit zien?”, wilden de Chinezen weten.
De importeur legde aan zijn Chinese gastheren uit hoe wij Europeanen graag een koelkast zien. Vervolgens ging het gezelschap lunchen.
Na de lunch riepen enkele Chinezen de Hollanders nog even bij zich. Was dit misschien wat ze bedoelden? Voor hen stonden enkele prototypes die de Chinese ontwerpers van Haier tijdens de lunch hadden gemaakt.
“Dat lijkt verdomd veel op Europese koelkasten”, stamelde de importeur. De Chinezen hadden er slechts een lunch voor nodig om een Europese koelkast te ontwerpen
Trek uw eigen conclusies, maar ik zou zeggen dat ontwerpers van koelkasten en andere huishoudelijke apparatuur, aardig ‘touchable’ zijn.
Ik vraag u: wat zou er gebeuren als deze importeur een Senseo aan de Chinese ontwerpers laat zien? Zouden ze een waardige opvolger kunnen ontwerpen? Zouden ze over enkele jaren een product kunnen ontwerpen dat ook naadloos bij onze cultuur en levenstijl past?

Ikzelf ben optimistisch over deze vraag. Ik denk niet dat u betere producten kunt ontwerpen dan Chinezen en Indiërs – misschien nu nog, maar over een paar jaar niet meer – maar ik denk wel dat u beter begrijpt wat wij Nederlanders mooi vinden en waar wij ons geld aan willen besteden. Misschien dat u in de toekomst niet voor Philips en Douwe Egberts producten ontwerpt, maar voor Haier en bedrijven met namen als Golden Flower Foods International, maar ach, what’s in a name, a rose is a rose is a rose.
Ook over outsourcing en Globalisation, the next level ben ik optimistisch. In potentie brengt de integratie van de Indiase en Chinese middenklasse in de wereldeconomie veel goeds. Honderden miljoenen mensen krijgen de kans op een beter leven en beter werk. Bovendien zullen meer mensen dan ooit producten ontwerpen die ons leven verbeteren of veraangenamen, variërend van betere beademingsmachines tot mooiere iPod’s.
Daarnaast is de Nederlandse economie niet ten dode opgeschreven. Traditioneel is Nederland een handelsnatie die floreert bij toenemende wereldhandel. Als Duitsers meer auto’s uit Beijing kopen en minder uit Beieren, is dat goed nieuws voor Rotterdam. Nederlanders zijn ook eerder dienstverleners dan uitvinders, en onze baggeraars en bankiers profiteren van wereldwijde economische groei. En hoe meer welvarende consumenten er zijn – in Nederland én in de rest van de Wereld – hoe meer producten u kunt ontwerpen. Wie weet bedenkt u wel een Chinese Senseo.
Maar de wereld staat niet stil, en nog nooit is de concurrentie zo groot geweest, ook niet voor Nederlandse ontwerpers. Als wij in Nederland de komende decennia ons welvaartsniveau willen behouden, zullen we daar nu naar moeten handelen. Helaas bespeur ik in brede lagen van de samenleving zo goed als geen besef van urgentie. Ook niet bij beleidsmakers. “Je zou haast willen”, schreef ik vorige maand in een opiniestuk in het NRC Handelsblad, “dat ook parlementariërs, ministers en ambtenaren door outsourcing hun baan kunnen verliezen, zodat ze wellicht enige daadkracht aan de dag zouden leggen.”
Dat geldt ook voor u. U zult zich steeds meer moeten onderscheiden. U moet bewijzen dat niemand betere en mooiere Senseo’s kan ontwerpen, dan u.
Ik dank u voor uw aandacht.

Evert Nieuwenhuis is journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids – van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Een deel van deze tekst is een bewerking van een lezing die hij eerder op de Vrije Universiteit gaf.
© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl