de Volkskrant, 1 juni 2007
De Standaard (België), 10 augustus 2007
HULP - Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert van Ralf Bodelier en Mirjam Vossen (Inmerc, 2007).
![]() |
![]() |
Een van de grote paradoxen van deze tijd is dat we nog nooit zoveel informatie tot onze beschikking hebben gehad, maar dat we geen idee hebben hoe bijna de helft van de wereld leeft: in grote armoede. Onze onwetendheid is even begrijpelijk als opzienbarend. Als een president zijn hoofd stoot, zien we de volgende dag het schaafwondje in de krant, reality soaps filmen tot in de slaapkamer van onze buren, en wanneer in een dierentuin een aap uitbreekt, verdiepen we ons in de psychologie van zijn soort. Maar hoe het leven er uitziet van de 2,7 miljard mensen die met minder dan twee dollar per dag moeten zien rond te komen, is ons volkomen onbekend.
Ook Dick Wittenberg, voormalig redacteur buitenland van NRC Handelsblad en gespecialiseerd in Afrika, wist niet hoe de rest van de wereld leeft. ‘Waar ik in Afrika ook ga’, schrijft Wittenberg in Binnen is het donker, buiten is het licht, ‘altijd houd ik het idee dat ik van armoede alleen de buitenkant raak. Ik blijf voorbijganger. Ik zie de rode gloed van ondervoeding die hangt over hun haren. Ik verbaas me erover hoe schoon ze hun hopeloos versleten kleren houden, zonder wasmachine, te midden van het vuil. Ik bewonder de gedrevenheid en vasthoudendheid waarmee ze in de meest barre omstandigheden streven naar een leven met de schijn van normaliteit. Hoe doen ze dat? Dat wil ik weten. Niet ongeveer. Heel precies.’
Malawi
In 2005 besluit Wittenberg enkele weken in een doodgewoon Afrikaans dorp te verblijven en daar verslag van te doen in zijn krant. Fotograaf Jan Banning gaat mee om de dorpsbewoners en hun bezittingen te portretteren. Ze strijken neer in Dickisoni in Malawi, een dorp met driehonderd inwoners op 72 kilometer van de hoofdstad Lilongwe. Er gaat een wereld voor hen open, en al snel wordt duidelijk dat meer bezoeken nodig zijn om Dickisoni in detail te beschrijven.
Binnen is het donker, buiten is het licht is een bijzonder rijk boek. Het doet wat alleen de beste journalistiek vermag: het geeft de lezer het gevoel de hoofdpersonen en hun wereld daadwerkelijk te leren kennen.
Wittenberg beschrijft minutieus – bijna als een bezetene – het leven van de inwoners van Dickisoni. Hij wil weten welke gebruiksvoorwerpen de Dickisoni’s bezitten. Hoe lang de honger tijdens het regenseizoen duurt en op welke manier ze dan de wortels van bananenbomen tot een vieze pap bereiden. Wat de positie van vrouwen is en hoe zich dat vertaalt in een alledaags gesprek. Hoeveel zeep en paraffine ze kunnen kopen en hoe lang ze daarmee doen. Hoe de Dickisoni’s ruziemaken en hoe ze feestvieren.
De stijl van Wittenberg is sober en kaal. Geen bespiegelingen, geen achtergrondinformatie. Hij wil louter waarnemen en rapporteren. Dat is een goede keuze, omdat de lezer zo alle ruimte krijgt om zijn eigen conclusies te trekken. Maar soms wil je meer weten. Neem de hardvochtige sociale verhoudingen die Dickisoni kenmerkt, iets wat ook Wittenbergs tolk en gids Chifumbi verbaast.
Alleenstaande vrouwen worden stelselmatig in hun eigen hutje verkracht, en de Dickisoni’s doen alsof ze dat niet weten. Vroeger was de beroemde Afrikaanse ‘uitgebreide familie’ als een sociaal vangnet, maar tegenwoordig bestaat die zekerheid in Dickisoni niet meer. Hoe komt dat? Is dat de oorzaak van de honger, of juist een gevolg ervan? In de wetenschappelijke literatuur is het bekend dat langdurige honger tot sociale erosie kan leiden. ‘Door honger ga je anders naar je kinderen kijken’, schrijft bijvoorbeeld Sharman Apt Russell in het prachtige Hunger – An Unnatural History (Basic Books, 2005). Ze sterven zo vaak en zo snel, dat ouders zich niet te veel hechten aan een kind. Ook volwassenen bewaren meer afstand tot hun ouders. Geldt dat ook voor Dickisoni? Wittenberg doet geen uitspraak, hij heeft zich immers tot taak gesteld om niets anders dan verslag te doen.
Mais en mest
Een ander fascinerend proces dat Wittenberg blootlegt, zijn de effecten die eenvoudige hulp kan sorteren. Wittenbergs reportage is niet onopgemerkt gebleven, en de NRC-lezers maken massaal geld over aan de inderhaast opgerichte Stichting Vrienden van Dickisoni. De journalist moet er in eerste instantie niet aan denken om hulpverlener te worden, maar hij beseft al snel dat de hulp een enorme kans voor Dickisoni betekent. Elk gezin krijgt een zak maïs en een zak kunstmest. Nauwgezet beschrijft Wittenberg de uiteenlopende gevolgen. De meest basale: dit seizoen sterft er voor het eerst in jaren niemand van de jonger.
De buitendorpse inmenging manifesteert zich ook in immateriële zin. Wittenberg komt te weten dat een melaatse man en zijn vrouw ’s nachts niet kunnen slapen van de kou omdat ze geen deken meer hebben. Het dorp negeert het echtpaar.
Wittenberg had zich voorgenomen om niet in te grijpen in het dorpsleven, maar toch geeft hij het echtpaar een van zijn twee dekens. Chifumbi, de tolk, is furieus over de meedogenloosheid van de dorpelingen. Wittenberg: ‘Dan stelt hij de vraag waarop het ijzingwekkend stil blijft: hoe kun je verwachten dat vreemdelingen hier helpen terwijl jullie elkaar niet eens helpen?’ Niet lang daarna neemt de man weer volwaardig deel aan het dorpsleven – hopelijk niet alleen omdat Wittenberg en Chifumbi hun toegang vormen tot maïs en mest.
Sloppenwijk
Wittenberg zag de armoede in de ogen en kon uiteindelijk niet anders dan een helpende hand bieden. Zo verging het Ralf Bodelier en Mirjam Vossen ook. Ze reisden in hetzelfde Malawi en liepen Veronica Kuchikonde tegen het lijf, ‘een opgewekte vrouw, die ons voor het avondeten uitnodigde’. Kuchikonde liet het stel haar sloppenwijk zien. ‘Hoewel we al maandenlang in Afrika rondhingen’, schrijven Bodelier en Vossen, ‘leek het alsof we die avond voor het eerst kennismaakten met het continent’.
Een vriendschap bloeide op. In 2000 kregen ze een telefoontje van Kuchikonde: haar man was plotseling overleden. Hoe moest ze nu zorgen voor haar dertien (wees)kinderen? Konden zij haar misschien helpen? Bodelier en Vossen belden vrienden en familie om geld in te zamelen. Ze richtten bovendien de stichting Het Goede Doel op, die uitgroeide tot een ware hulporganisatie. De stichting betaalt nu onder meer het schoolgeld voor zeventig middelbare scholen en financiert een voedselproject voor vijfduizend leerlingen van een lagere school.
Bodelier en Vossen zijn het toonbeeld van het groeiende leger doe-het-zelvers in de ontwikkelingshulp – gewone mensen die buiten bestaande hulporganisaties om een eigen project beginnen. De doe-het-zelvers vormen een van de onderwerpen die het journalistenechtpaar Bodelier en Vossen beschrijft in HULP – Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert, een indrukwekkend overzicht van de belangrijkste thema’s in de discussie over het nut van ontwikkelingshulp. In een twintigtal korte hoofdstukken behandelen ze grote vragen als ‘Waarom is Afrika arm?’ en ‘Helpt hulp?’.
Maar ook recente ontwikkelingen passeren de revue, zoals de opkomst van China in de wereld van de ontwikkelingshulp, en de nieuwe, zakelijke aanpak van filantropen als Bill Gates.
Corrupte overheden
Bodelier en Vossen geloven in ontwikkelingshulp, hoe kan het ook anders. De kracht van HULP is dat ze de argumenten van hun tegenstanders serieus nemen en eerlijk weergeven. Ook de doe-het-zelvers worden kritisch besproken: ‘Goede bedoelingen mogen geen excuus zijn voor vrijblijvend amateurisme.’
Perfect is HULP niet. Zo komen de problemen rondom grootschalige hulp te weinig aan bod. Ondernemers als Veronica Kuchikonde en haar kinderen hebben op de lange termijn weinig aan de kleinschalige hulp van Bodelier en Vossen zolang de Malawiaanse overheid niet zorgt voor onderwijs, wegen en rechtsbescherming. Met andere woorden: Kuchikonde heeft een sterke, betrouwbare overheid nodig. Helaas worden ’s werelds armste mensen veelal geplaagd door kreupele en corrupte overheden. Hoe je met buitenlands geld overheden beweegt om in dienst van hun eigen burgers te handelen, is een van grootste vragen waarmee de hulpindustrie worstelt. In HULP wordt deze problematiek nauwelijks besproken.
Arme mensen op een zinnige manier helpen is buitengewoon moeilijk. Ontwikkelingshulp mislukt vaker dan nodig is. Maar dat hulp kán helpen, betogen Bodelier en Vossen overtuigend. We zijn het bovendien moreel verplicht om te blijven zoeken naar manieren om die andere helft van de wereldbevolking te helpen zichzelf van armoede te bevrijden. Chifumbi, de vertaler en gids van Wittenberg , haalt een lokaal spreekwoord aan: ‘Een mens is alleen maar mens in relatie tot anderen.’ Wie die anderen zijn, weten we dankzij Wittenberg en Banning.
Recensie:
Binnen is het donker, buiten is het licht
Tekst: Dick Wittenberg
Foto’s: Jan Banning
Atlas, 222 pagina’s
ISBN 9789045014661
€ 24,90
HULP - Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert
Ralf Bodelier en Mirjam Vossen
Inmerc, 280 pagina’s
ISBN 9789066115255
€ 19,95
NB: De versie die De Standaard publiceerde, wijkt licht af van bovestaande tekst.

















